Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:457

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-02-2020
Datum publicatie
27-02-2020
Zaaknummer
18/2567 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het besluit van 20 november 2014, waarbij een maatwerkvoorziening is toegekend in de vorm van twee elektrische deuropeners en afwijzend is beslist op het verzoek om ook de overige drie deuren in de woning te voorzien van elektrische deuropeners, is gericht op rechtsgevolg en een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Welke elektrische deuropeners daadwerkelijk worden geleverd en tot welk bedrag deze worden vergoed, hangt af van een nog te overleggen offerte. Dat appellante in hetzelfde besluit om een offerte is verzocht teneinde deze te toetsen aan de lijst Tarieven woningaanpassing, maakt niet dat ten aanzien van de toekenning en afwijzing van de maatwerkvoorzieningen geen sprake is van een op rechtsgevolg gericht besluit. Het college heeft ter zitting erkend dat naar aanleiding van de offerte van 28 mei 2015 bij besluit van 7 juni 2016 slechts één elektrische deuropener is vergoed, terwijl aan appellante bij het besluit van 20 november 2014 twee elektrische deuropeners zijn toegekend en er ook twee zijn geplaatst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/131
NJB 2020/655
RSV 2020/68
NBJ-Wmo/2020/007 met annotatie van L.M. Koenraad en C.W.C.A. Bruggeman
AB 2020/206 met annotatie van L.M. Koenraad, C.W.C.A. Bruggeman
Gst. 2020/80 met annotatie van J.C. de Wit, E. Linthorst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2567 WMO

Datum uitspraak: 26 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

30 maart 2018, 17/1575 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.M.G.M. Raafs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 december 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. J.P. van Mulken, kantoorgenoot van mr. Raafs, en haar echtgenoot [naam echtgenoot]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H.J.A. Bertholet.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante, geboren in 1957, is bekend met de ziekte MS en is rolstoelafhankelijk.

1.2.

Bij besluit van 20 november 2014 heeft het college bepaald dat appellante recht heeft op individuele voorzieningen in de vorm van een elektrische deuropener bij de voordeur en een elektrische deuropener bij het terras (van slaapkamer naar terras). Op het verzoek om ook de deur naar de garage, de deur naar het Frans balkon en de deur van de slaapkamer naar de woonkamer te voorzien van elektrische deuropeners heeft het college afwijzend beslist. Appellante is verzocht een offerte te overleggen, die getoetst zal worden aan de lijst Tarieven woningaanpassing.

1.3.

Op 28 mei 2015 heeft de firma Kersten een offerte opgesteld. Volgens de begeleidende brief betreft het een offerte ten behoeve van het leveren, plaatsen en infrarood bedienbaar maken van een tweetal deurautomaten. In de specificatie van de offerte is één deurautomaat à € 3.522,-, exclusief BTW opgenomen. Het totaal van de offerte bedraagt € 5.524,05, inclusief BTW.

1.4.

Bij besluit van 7 juni 2016 is appellante conform de offerte van 28 mei 2015 in aanmerking gebracht voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing voor het bedienbaar maken van twee deuren, te weten de voordeur en de terrasdeur (van slaapkamer naar terras). Vermeld is dat de kosten hiervoor volgens opgave € 5.524,05 gaan bedragen.

1.5.

Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 7 juni 2016, omdat de brief onjuistheden bevat, nu er op 27 oktober 2015 slechts één deuropener is geplaatst. De deuropener bij het terras is door appellante zelf besteld en geplaatst. De rekening hiervoor is conform afspraak ingediend bij het college, maar daarop is niet gereageerd.

1.6.

Bij besluit van 25 april 2017 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar niet‑ontvankelijk verklaard. De brief van 7 juni 2016 kan volgens het college niet worden aangemerkt als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze brief niet is gericht op rechtsgevolg. Nu geen bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 20 november 2014, is dit in rechte vast komen te staan.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het bezwaar ongegrond te verklaren en te bepalen dat de uitspraak in de plaatst treedt van het vernietigde besluit. Daartoe heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat in het besluit van

20 november 2014 reeds een oordeel is gegeven over het toekennen van de deuropeners. Dit betekent echter niet dat de brief van 7 juni 2016 niet op rechtsgevolg is gericht. Het college heeft hierin immers geoordeeld dat de ingediende offerte akkoord is bevonden en dat vergoeding overeenkomstig deze offerte plaatsvindt. In zoverre is sprake van een rechtsgevolg. Het college heeft het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Er bestaat geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Er is wel aanleiding om zelf in de zaak te voorzien. De rechtbank heeft geen formeel bezwaarschrift, dan wel een brief die als zodanig kan worden aangemerkt, gericht tegen het besluit van 20 november 2014 in de stukken aangetroffen. Nu dit besluit in rechte vast staat, kan het aantal deuropeners niet meer ter discussie worden gesteld.

3. Appellante heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellante heeft aangevoerd dat de brief van 20 november 2014 niet als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb kan worden aangemerkt. Subsidiair stelt zij zich op het standpunt dat het besluit van 20 november 2014 is ingetrokken, dan wel dat zij erop mocht vertrouwen dat het college nieuwe, afzonderlijke besluiten zou gaan nemen. Geheel subsidiair stelt appellante zich op het standpunt dat als de brief van 20 november 2014 moet worden aangemerkt als een besluit, uit de correspondentie die vervolgens is gevoerd had moeten worden aangenomen dat zij bedoeld heeft daartegen bezwaar te maken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad is van oordeel dat het besluit van 20 november 2014, waarbij een maatwerkvoorziening is toegekend in de vorm van twee elektrische deuropeners en afwijzend is beslist op het verzoek om ook de overige drie deuren in de woning te voorzien van elektrische deuropeners, gericht is op rechtsgevolg en een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Welke elektrische deuropeners daadwerkelijk worden geleverd en tot welk bedrag deze worden vergoed, hangt af van een nog te overleggen offerte. Dat appellante in hetzelfde besluit om een offerte is verzocht teneinde deze te toetsen aan de lijst Tarieven woningaanpassing, maakt niet dat ten aanzien van de toekenning en afwijzing van de maatwerkvoorzieningen geen sprake is van een op rechtsgevolg gericht besluit.

4.2.

Het betoog dat het besluit van 20 november 2014 door het college is ingetrokken en dat appellante erop mocht vertrouwen dat het college nieuwe, afzonderlijke besluiten zou nemen slaagt niet. Een dergelijke intrekking of door het college met de toenmalige gemachtigde

mr. R.M.W.H. Bedaux daarover gemaakte afspraken, blijken niet uit de stukken. Van de door appellante gestelde toezeggingen van de Wmo-adviseur zijn geen stukken beschikbaar. Hetzelfde geldt voor de door de ergotherapeut in zijn brief van 17 januari 2017 genoemde afspraken.

4.3.

Het standpunt van appellante dat uit de stukken blijkt dat beoogd is bezwaar te maken tegen het besluit van 20 november 2014, volgt de Raad niet. Niet in geschil is dat in de correspondentie van appellante het woord ‘bezwaar’ ontbreekt. De binnen de bezwaartermijn ingediende brief van mr. Bedaux van 3 december 2014 bevat een weergave door mr. Bedaux van volgens hem gemaakte afspraken tussen de gemachtigde van appellante en de Wmo‑adviseur van het college. Dit wijst erop dat op dat moment gekozen is voor de weg van overleg en niet voor het maken van bezwaar. Ook uit brieven van de ergotherapeut van 4 en 19 december 2014 kan niet worden afgeleid dat appellante het niet eens was met het besluit van 20 november 2014. De brieven van de ergotherapeut zijn een uitvloeisel van het overleg tussen mr. Bedaux en de Wmo-adviseur van het college. In de brief van mr. Bedaux wordt namelijk vermeld dat de Wmo-adviseur nog contact zal hebben met de ergotherapeut. Ook met de brieven van de ergotherapeut is dus niet bedoeld bezwaar te maken. Er bestond voor het college dan ook geen aanleiding om daarover bij mr. Bedaux duidelijkheid te vragen. De verwijzing van appellante naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1638) volgt de Raad niet.

4.4.

Het college heeft ter zitting erkend dat naar aanleiding van de offerte van 28 mei 2015 bij besluit van 7 juni 2016 slechts één elektrische deuropener is vergoed, terwijl aan appellante bij het besluit van 20 november 2014 twee elektrische deuropeners zijn toegekend en er ook twee zijn geplaatst. Dit betekent dat appellante nog recht heeft op de waarde van één elektrische deuropener. De kosten van een elektrische deuropener bedragen € 3.522,-, exclusief BTW. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

4.5.

Uit 4.4 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover door de rechtbank zelf is voorzien door het bezwaar ongegrond te verklaren. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat appellante in aanmerking komt voor een bedrag van € 4.261,62 (inclusief BTW), te betalen door het college ten behoeve van de tweede reeds geplaatste elektrische deuropener. Voor het overige komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.

5. Er is aanleiding het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten worden begroot op € 1.050,- in bezwaar en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.100,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin zelf is voorzien door het bezwaar ongegrond te verklaren en is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

  • -

    voorziet zelf in de zaak als overwogen onder 4.5 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van 25 april 2017;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellante in bezwaar en hoger beroep tot een bedrag van € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van

€ 126,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en W.J.A.M. van Brussel en

C.J. Borman als leden, in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2020.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) C.I. Heijkoop