Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:438

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
19-1591 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere omstandigheden voor toekennen langdurigheids- en inkomenstoeslag met terugwerkende kracht. Niet begrijpelijk dat appellant heeft nagelaten van 2009 tot 2013 toeslagen aan te vragen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1591 PW

Datum uitspraak: 25 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 25 februari 2019, 18/2773 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van De Ronde Venen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.L. Soedamah, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant en zijn echtgenote (A) ontvangen vanaf 1 juni 2004 bijstand van het college, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Op 29 december 2017 hebben appellant en A een aanvraag om een langdurigheidstoeslag over de jaren 2007 tot en met 2012 en 2014 op grond van de tot 1 januari 2015 geldende artikel 36 van de Wet werk en bijstand en om een individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 36 van de PW over de jaren 2015 tot en met 2017 ingediend.

1.3.

Bij besluit van 15 januari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 juni 2018 (bestreden besluit), heeft het college appellant en A een individuele inkomenstoeslag van € 520,- over 2017 toegekend en de aanvraag voor het overige afgewezen. Het college heeft aan het bestreden besluit, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat zich geen bijzondere omstandigheden voordoen die toekenning van de langdurigheids- en individuele inkomenstoeslag met terugwerkende kracht rechtvaardigen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant wil met het hoger beroep bereiken dat hij en A over de jaren 2007 tot en met 2012 en 2014 de langdurigheidstoeslag en over 2015 en 2016 de individuele inkomenstoeslag krijgen. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant over die jaren geen aanvragen heeft ingediend. Het geschil in hoger beroep is beperkt tot het antwoord op de vraag of zich bijzondere omstandigheden voordoen die toekenning van langdurigheids- en individuele inkomenstoeslag met terugwerkende kracht rechtvaardigen. Appellant heeft aangevoerd dat dit het geval is, omdat hij voldoende actie richting het college heeft ondernomen op basis waarvan voor het college duidelijk had moeten zijn dat appellant en A recht op de toeslagen hadden. Appellant en A ontvangen sinds 2004 bijstand, zij verstrekken maandelijks informatie over hun financiële situatie aan het college en moesten vaak op gesprek voor onder andere het bespreken van de mogelijkheid tot arbeidsinschakeling.

4.2.

De rechtbank heeft, voor zover hier van belang en zakelijk weergegeven, overwogen dat van bijzondere omstandigheden bijvoorbeeld sprake kan zijn als een betrokkene actie heeft ondernomen richting het college en het college op basis van die actie een bijstandsaanvraag had moeten innemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de aanvraag had moeten worden toegewezen over de periode voordat appellant en A zich hebben gemeld. Appellant en A hebben niet onderbouwd dat zij met het college contact hebben gehad over de toeslagen en onvoldoende onderbouwd wat zij precies met het college hebben besproken. Daarom is niet duidelijk of het college op basis van dit contact aanvragen om toekenning van een langdurigheids- en individuele inkomenstoeslag had moeten innemen. De rechtbank heeft daarom geoordeeld dat het college op goede gronden de aanvraag van appellant om een langdurigheidstoeslag over de jaren 2007 tot en met 2012 en 2014 en om een individuele inkomenstoeslag over de jaren 2015 en 2016 heeft afgewezen.

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in wezen een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is in de aangevallen uitspraak gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom die gemotiveerde weerlegging van die gronden onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel rust. Daar wordt aan toegevoegd dat niet in geschil is dat appellant en A het college al op 30 maart 2009 om een langdurigheidstoeslag hebben gevraagd en dat het college hen de gevraagde toeslag bij besluit van 6 april 2009 heeft toegekend. In dit besluit staat vermeld dat zij over twaalf maanden opnieuw een aanvraag voor de langdurigheidstoeslag kunnen doen als hun situatie hetzelfde blijft. Appellant en A hebben het college op 30 juli 2013 opnieuw om toekenning van de langdurigheidstoeslag gevraagd. Het college heeft bij besluit van 8 augustus 2013 appellant en A in aanmerking gebracht voor de langdurigheidstoeslag. Tegen deze achtergrond is niet begrijpelijk dat appellant heeft nagelaten om jaarlijks de langdurigheids– en vanaf 2015 de individuele inkomenstoeslag aan te vragen.

4.4.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap, in tegenwoordigheid van A.A.H. Ibrahim als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2020.

(getekend) A.J. Schaap

(getekend) A.A.H. Ibrahim