Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:422

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
02-03-2020
Zaaknummer
18/754 PW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:10077, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken na opschorten omdat appellante niet is verschenen op oproep. Intrekken en terugvorderen in verband met niet gemelde kasstortingen en bijschrijvingen die terecht als inkomen in aanmerking zijn genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 754 PW, 18/755 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 25 februari 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

22 december 2017, 17/2584 en 17/5518 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.H.G. Katz, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2019. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Katz. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. van den Buijs.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving vanaf 11 april 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW). Naar aanleiding van een anonieme melding op 9 april 2016, die onder meer inhield dat appellante zwart werkte bij een eethuis in [A.], heeft de unit Bijzondere Onderzoeken (unit BO) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Op 12 juli 2016, 29 augustus 2016 en 8 september 2016 hebben gesprekken plaatsgevonden met appellante. Bij het gesprek van 8 september 2016 heeft zij afschriften van haar bankrekening met rekeningnummer eindigend op 5322 over de periode van

1 januari 2013 tot en met 22 augustus 2016 overgelegd. Zij heeft, desgevraagd, onder meer verklaard dat haar moeder, zoon en neef regelmatig geld stortten op haar bankrekening.

1.2.

Bij brief van 10 november 2016 heeft een medewerker van de unit BO appellante uitgenodigd voor een gesprek op 15 november 2016 en appellante verzocht bankafschriften van haar bankrekening eindigend op nummer 4720 (rekening 4720) over de periode van

11 april 2013 tot 10 november 2016 mee te nemen. Appellante is op 15 november 2016 zonder bericht niet verschenen.

1.3.

Bij besluit van 15 november 2016 heeft het college het recht op bijstand per die datum opgeschort en appellante uitgenodigd voor een gesprek op 17 november 2016 met het verzoek de eerder gevraagde afschriften van rekening 4720 mee te nemen. Appellante is andermaal zonder bericht niet verschenen.

1.4.

Bij besluit van 17 november 2016 heeft het college de bijstand van appellante met ingang van 15 november 2016 ingetrokken.

1.5.

De bevindingen van het onderzoek, door een medewerker van de unit BO neergelegd in een rapport van 29 november 2016, zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van 7 december 2016 de bijstand over de periode van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2016 te herzien en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 8.365,16 terug te vorderen. Bij besluit van 4 januari 2017 heeft het college de terugvordering, voor zover die betrekking heeft op het jaar 2016, gebruteerd met € 2.525,16. Bij besluit van

11 april 2017 heeft het college aan appellante wegens schending van de inlichtingenverplichting een boete van € 3.423,78 opgelegd.

1.6.

Bij besluit van 30 maart 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 15 november 2016, 17 november 2016, 7 december 2016 en 4 januari 2017 ongegrond verklaard. Bij besluit van 4 augustus 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 april 2017 ongegrond verklaard.

1.7.

Aan het bestreden besluit 1 heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Niet is komen vast te staan dat appellante de afspraak van 15 november 2016 tijdig heeft afgebeld. Ook heeft zij de gevraagde bankafschriften niet overgelegd, zodat zij op 15 november 2016 in verzuim was en het recht op bijstand terecht met ingang van die datum is opgeschort. Het college heeft gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid om de bijstand met ingang van

15 november 2017 in te trekken, omdat appellante op 17 november 2016 niet is verschenen en dit haar kan worden verweten. De over de periode 1 april 2014 tot en met 30 april 2016 verleende bijstand is terecht herzien en de ten onrechte verleende bijstand is teruggevorderd op de grond dat appellante in deze periode contant geld op haar bankrekening heeft gestort en/of bedragen van derden zijn bijgeschreven op haar bankrekening en appellante over de herkomst van dit geld geen of onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt, zodat deze bedragen als inkomsten moeten worden aangemerkt. Omdat de terugvordering door toedoen van appellante is ontstaan, is deze terecht gebruteerd. Aan betreden besluit 2 heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door contante stortingen en bijschrijvingen op rekening 4720 niet aan het college te melden. Het college is uitgegaan van gewone verwijtbaarheid.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college bevoegd was tot opschorting en intrekking van de bijstand. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante met het overzicht van Vodafone niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij de afspraak op 15 november 2016 via nummer 14010 of via het rechtstreekse nummer heeft afgebeld. Evenmin heeft appellante aannemelijk gemaakt dat tijdens de eerdere gesprekken sprake zou zijn geweest van ongeoorloofde druk en dat zij ten gevolge van de daarvan ondervonden psychische klachten niet in staat was om op 15 en 17 november 2016 op gesprek te komen. De eerdere ziekmelding van appellante op 27 oktober 2016 betekent, reeds gelet op het tijdsverloop, niet dat appellante niet had hoeven reageren op de opschorting en op het intrekkingsbesluit. Ten aanzien van de herziening en de terugvordering van de bijstand heeft de rechtbank, onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 14 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1013), over de kasstortingen en bijschrijvingen op haar bankrekening geoordeeld dat het college deze terecht als inkomsten heeft aangemerkt die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Appellante heeft niet met objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk gemaakt dat zij niet over deze inkomsten heeft kunnen beschikken en dat de gestorte bedragen betalingen voor de boodschappen van haar moeder waren dan wel betalingen van rekeningen van de zoon van appellante. Vaststaat dat appellante de ontvangst van die bedragen niet bij het college heeft gemeld. Door het college daarover niet te informeren, heeft zij de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden. Ook heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van 12 september 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3112) geoordeeld dat in de nadelige gevolgen van terugvordering voor een schuldsaneringstraject geen dringende reden is gelegen om van terugvordering af te zien. Tevens heeft de rechtbank onder verwijzing naar vaste rechtspraak (uitspraak van

14 februari 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:541) geoordeeld dat het college de terugvordering over 2016 terecht heeft gebruteerd. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat het college heeft aangetoond dat appellante de inlichtingenplicht heeft geschonden, dat het college daarom gehouden was een boete op te leggen en dat het college deze terecht op een bedrag van € 3.423,78 heeft vastgesteld, mede omdat appellante geen gegevens over haar draagkracht heeft overgelegd.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellante heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel berust. Hij voegt daar nog het volgende aan toe.

4.2.

Appellante heeft ook in hoger beroep haar standpunt dat zij vanwege psychische klachten (depressie) en vanwege haar ziekmelding op 27 oktober 2016 niet in staat was om op

15 december 2016 en 17 december 2016 op gesprek te komen, niet met medische gegevens onderbouwd, zodat deze beroepsgrond niet slaagt.

4.3.

De beroepsgrond dat geen sprake is van periodieke betalingen, maar van incidentele betalingen ten behoeve van de noodzakelijke kosten van het bestaan voor de moeder van appellante, slaagt evenmin. Gelet op het aantal betalingen van de moeder en de zoon - in de periode van 1 april 2014 tot en met 30 juni 2016 onderscheidelijk 35 en 13 - en het aantal van zes kasstortingen in diezelfde periode, is van incidentele betalingen geen sprake. Dat de grootte van de gestorte of bijgeschreven bedragen varieert en dat er geen vast patroon is, doet aan het terugkerende of periodieke karakter niet af. Voorts heeft appellante ook in hoger beroep nagelaten met objectieve en verifieerbare bewijsstukken te onderbouwen dat die betalingen plaatsvonden in verband met boodschappen van appellante voor haar moeder en betalingen van rekeningen voor haar zoon.

4.4.

De omstandigheid dat het opleggen van de boete mogelijk gevolgen heeft (gehad) voor de schuldsanering, leidt niet tot een ander oordeel. De Raad heeft eerder overwogen dat het feit dat een betrokkene in verband met de op hem van toepassing zijnde WSNP-regeling nadelige gevolgen kan ondervinden van een terugvordering, op zichzelf geen dringende reden oplevert om van terugvordering af te zien en dat dit niet anders is als hij in verband met de boete niet in aanmerking komt voor een WSNP-traject (uitspraak van 29 oktober 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:3777). Partijen hebben ter zitting verklaard dat de boete is afgelost. Dit betekent dat er in de actuele financiële omstandigheden van appellante geen aanleiding is gelegen om de boete wegens de draagkracht van appellante te matigen (uitspraak van

11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:10).

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep geen doel treft, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen als voorzitter en M. ter Brugge en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van S.H.H. Slaats als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2020.

(getekend) M. Hillen

(getekend) S.H.H. Slaats