Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:414

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
25-02-2020
Zaaknummer
18/2280 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen recht meer op ziekengeld. Het Uwv is in het bestreden besluit terecht voor de maatstaf “zijn arbeid” uitgegaan van gangbare arbeid, zoals deze is geconcretiseerd bij de EZWb, waarbij het voldoende is indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies. Er bestaat geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen. Afwijzing verzoek om schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2280 ZW

Datum uitspraak: 20 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 20 maart 2018, 17/1811 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R.M.M. Menting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Menting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.P. Veldman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster voor 40 uur per week. Op 28 december 2015 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten na een auto‑ongeluk. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft een verzekeringsarts appellante op 5 december 2016 gezien. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst van 5 december 2016. Appellante is in verband met diverse aandoeningen van fysieke aard (waaronder een rughernia) beperkt geacht ten aanzien van lang achter elkaar staan en aangewezen op werkzaamheden zonder grote fysieke belasting. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens drie functies geselecteerd die voor appellante geschikt zouden zijn en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 96,24% van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 15 december 2016 vastgesteld dat appellante per 27 januari 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat zij meer dan 65% kon verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 april 2017 ongegrond verklaard. Aan laatstgenoemd besluit liggen rapporten van 9 maart 2017 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 6 april 2017 van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. Het besluit van 7 april 2017 staat in rechte vast.

1.3.

Appellante heeft zich op 30 januari 2017, vanuit een situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld met toegenomen rugklachten. In verband hiermee heeft zij op 28 maart 2017 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante ongewijzigd is ten opzichte van de EZWb en dat appellante per 30 januari 2017 ongewijzigd geschikt is voor ten minste één van de in het kader van de EZWb geselecteerde functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 28 maart 2017 vastgesteld dat appellante per 30 januari 2017, datum in geding, geen recht meer heeft op ziekengeld. Het hiertegen gemaakte bezwaar van appellante heeft het Uwv bij besluit van 23 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 mei 2017 ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek gebaseerd is op eigen onderzoek en kennisname van het dossier, waaronder de informatie van de behandelend neuroloog van 9 november 2016. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat rekening is gehouden met het feit dat appellante op 13 april 2017 is geopereerd. Hierin werd echter geen aanleiding gezien appellante op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt te achten. De rechtbank onderschrijft dit standpunt nu zich in het dossier geen medische stukken bevinden die aanwijzingen geven voor het oordeel dat de klachten van appellante per 30 januari 2017 zijn onderschat. Verweerder heeft op goede gronden vastgesteld dat appellante met ingang van 30 januari 2017 geen recht heeft op ziekengeld.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar fysieke beperkingen. Appellante heeft, onder verwijzing naar de in beroep ingebrachte informatie van de behandelend neuroloog van 18 augustus 2017, herhaald dat het verrichten van arbeid op de datum in geding niet mogelijk was. Appellante heeft gesteld dat zij het advies kreeg om tot de operatie zoveel mogelijk bedrust te houden. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding in de vorm van rente over de na te betalen uitkering.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Deze regel lijdt in dit geval in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na 52 weken ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies (zie de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1225).

4.2.

In zijn uitspraak van 5 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:254, heeft de Raad geoordeeld dat er geen aanleiding is om de in 4.1 genoemde uitzondering en de daaraan in de uitspraak van 22 maart 2017 ten grondslag gelegde overwegingen niet ook van toepassing te achten in een situatie zoals die van appellante, waarin sprake is van een ziekmelding binnen vier weken na een eerdere beëindiging van het recht op ziekengeld na een EZWb, en waarbij in die tussenliggende periode WW-uitkering is toegekend en niet in enig werk is hervat.

4.3.

Dit betekent dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het Uwv in het bestreden besluit terecht voor de maatstaf “zijn arbeid” is uitgegaan van gangbare arbeid, zoals deze is geconcretiseerd bij de EZWb, waarbij het voldoende is indien de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste een van de geselecteerde functies.

4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsartsen. De rechtbank heeft in de informatie van de behandelend neuroloog van 18 augustus 2017 terecht geen onderbouwing gezien voor de stelling van appellante dat de neuroloog haar op 27 januari 2017 heeft geadviseerd om tot de operatie algehele rust te houden en de dag grotendeels liggend door te brengen. Verder kan uit de telefoonnotitie van 6 februari 2017 worden afgeleid dat op die datum nog niet bekend was wanneer appellante geopereerd zou worden, zodat er geen aanleiding was om te concluderen dat appellante om die reden geen benutbare mogelijkheden had. Appellante heeft in hoger beroep geen medische informatie ingebracht met betrekking tot de datum in geding.

5. Gelet op 4.3 en 4.4 slaagt het hoger beroep niet en moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd. Bij deze uitkomst bestaat geen ruimte voor een schadevergoeding.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling in tegenwoordigheid van C.I. Heijkoop als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) C.I. Heijkoop