Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:397

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
20-02-2020
Datum publicatie
24-02-2020
Zaaknummer
18/2227 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:1975, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft bij besluit van 8 februari 2016 de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant met ingang van 9 april 2016 beëindigd, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2227 WIA

Datum uitspraak: 20 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2018, 16/5924 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Warmenhoven hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. Warmenhoven heeft zich als gemachtigde teruggetrokken.

Het Uwv heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2020. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als allround medewerker magazijn voor 40 uur per week. Daarnaast was appellant, op basis van een 0-urencontract, werkzaam als beveiliger. Op 16 maart 2010 heeft hij zich ziek gemeld met diverse klachten na een aanrijding. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd heeft het Uwv aan appellant met ingang van 13 maart 2012 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 67,4%. In het kader van een herbeoordeling op een verzoek van de werkgever van 19 november 2015 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat appellant niet meer geschikt is voor het laatstelijk verrichte werk, maar appellant wel belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die hij heeft neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 4 februari 2016. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 33,98% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 8 februari 2016 de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant met ingang van 9 april 2016 beëindigd, omdat hij met ingang van die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 augustus 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank – voor zover relevant – als volgt overwogen:

“ De rechtbank overweegt dat het verzekeringsgeneeskundige onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op de anamnese, eigen onderzoek en informatie van de behandelend sector. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft eiser op de hoorzitting gezien, dit was ook vrij kort na de datum in geding (9 april 2016), te weten 22 juni 2016. Voor zover eiser, onder verwijzing naar een rapportage van 28 maart 2017, van Offermans heeft gesteld dat de FML van 4 februari 2016 onjuist is ten aanzien van het aspect duwen/trekken en dat de frequente duw,- en trekhandelingen die gepaard gaan met krachtinzet van 15 kg of meer dienen te worden vermeden en dat gelet hierop de functie van magazijn/expeditie medewerker als niet passend te worden aangemerkt kan dit gelet op hetgeen door verweerder is geconcludeerd onder 2.2 niet tot een materieel andere uitkomst leiden. De mate van arbeidsongeschiktheid blijft dan onder de 35%.”

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met zijn medische beperkingen. Hij vindt daarvoor steun in het rapport van de verzekeringsarts Offermans dat in beroep is ingediend. Appellant vindt dat hij recht heeft op een uitkering op grond van de Wet WIA.

3.2.

Het Uwv heeft in verweer gesteld dat in dit geval meer waarde gehecht dient te worden aan de rapporten van de artsen van het Uwv, nu deze artsen appellant kort voor en na de datum in geding hebben onderzocht. Voorts stelt het Uwv dat zelfs in het geval de functie van magazijn/expeditiemedewerker niet passend zou zijn en zou komen te vervallen, zoals door verzekeringsarts Offermans gesteld, dit niet tot een materieel andere uitkomst leidt omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 35% blijft. Het Uwv heeft de Raad vervolgens verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Voor de relevante wet- en regelgeving en de uitleg daarvan wordt verwezen naar onderdeel 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 9 april 2016 heeft vastgesteld op minder dan 35% en terecht de WGA-uitkering van appellant heeft beëindigd.

4.3.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Appellant heeft ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens overgelegd die zijn stellingen kunnen ondersteunen.

4.4.

Ook wordt de rechtbank gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat, indien de functie magazijn/expeditiemedewerker zou komen te vervallen, dit materieel niet tot een andere uitkomst zou leiden.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Bij deze uitkomst is er geen aanleiding voor een schadevergoeding.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door A.T. de Kwaasteniet, in tegenwoordigheid van E.D. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2020.

(getekend) A.T. de Kwaasteniet

(getekend) E.D. de Jong