Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3543

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
19-01-2021
Zaaknummer
19/3192 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Procesbelang. Besluitbegrip. Ontbreken rechtsgevolg. Geen wettelijke grondslag voor weigeren toestemming volgen opleiding. De rechtbank heeft het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. Appellante had procesbelang bij een beoordeling van de weigering van de toestemming voor het volgen van een opleiding. Dat appellante ten tijde van de aangevallen uitspraak tijdelijk was ontheven van de arbeidsverplichtingen, betekent niet dat wat zij wilde bereiken (ook na de ontheffing haar opleiding kunnen voortzetten) geen feitelijke betekenis had. Het e-mailbericht waarin staat dat een tweejarige hbo-opleiding met behoud van bijstand geen algemeen geaccepteerde arbeid is, die passend is om in het eigen levensonderhoud te voorzien, is niet gericht op rechtsgevolg, en dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het dagelijks bestuur was niet bevoegd om appellante op grond van artikel 10, eerste lid, van de PW, de Verordening, en de Beleidsregels toestemming te weigeren voor het (ver)volgen van een zelf gekozen en bekostigde opleiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/89
NJB 2021/371
JWWB 2021/81
USZ 2021/103 met annotatie van Koenraad, L.M.
AB 2021/117 met annotatie van L.J.A. Damen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3192 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 29 december 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 juni 2019, 18/8203 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van het Werkplein Hart van West-Brabant (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. I.M. van den Heuvel, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Heuvel. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.H.M. Verdaas.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt sinds 1 december 2014 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW).

1.2.

Naar aanleiding van een gesprek met haar klantmanager heeft appellante de klantmanager bij e-mailbericht van 11 juli 2018 informatie over de hbo-opleiding Health and Social Work (opleiding) toegestuurd. Bij e-mailbericht van 16 juli 2018 heeft X, een medewerker van Pharos expertisecentrum gezondheidsverschillen, op verzoek van appellante de klantmanager bericht dat zij appellante van harte kan aanbevelen en dat zij hoopt dat appellante mag starten met de opleiding.

1.3.

Op 18 juli 2018 heeft de klantmanager in een e-mailbericht (e-mailbericht van 18 juli 2018) aan X te kennen gegeven dat het doel van de PW is om kandidaten zo snel mogelijk in hun eigen levensonderhoud te laten voorzien. Daarbij wordt algemeen geaccepteerde arbeid als passend beschouwd. Een tweejarige hbo-opleiding met behoud van een uitkering valt daar niet onder. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen het e-mailbericht van 18 juli 2018.

1.4.

Appellante is in augustus 2018 met de door haarzelf bekostigde opleiding begonnen.

1.5.

Bij besluit van 7 september 2018 heeft het dagelijks bestuur appellante meegedeeld dat de onder 1.2 genoemde e-mailberichten worden aangemerkt als een verzoek van appellante om met behoud van bijstand de opleiding te volgen en dat dit verzoek wordt afgewezen (afwijzing).

1.6.

Bij besluit van 22 oktober 2018 (bestreden besluit 1) heeft het dagelijks bestuur, naar aanleiding van bezwaarschriften tegen de afwijzing en tegen het e-mailbericht van 18 juli 2018, de afwijzing gehandhaafd. Daarnaast heeft het dagelijks bestuur bij bestreden besluit 1 beslist op het verzoek van appellante om ontheffing van arbeidsverplichtingen in verband met de zorg voor haar jongste kind. Aan appellante is in verband met deze zorg tot 24 augustus 2019 een ontheffing verleend van de arbeidsverplichtingen van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de PW. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 1, voor zover daarbij de afwijzing is gehandhaafd.

1.7.

Bij besluit van 13 december 2018 (bestreden besluit 2) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het e-mailbericht van 18 juli 2018 ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de afwijzing niet-ontvankelijk. Aan bestreden besluit 2 ligt ten grondslag dat de opleiding niet noodzakelijk is en dat de afwijzing niet is gericht op rechtsgevolg, nu dat rechtsgevolg al teweeg was gebracht door het e-mailbericht van 18 juli 2018. Appellante heeft beroep ingesteld tegen bestreden besluit 2.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellante ten tijde van de aangevallen uitspraak geen procesbelang had bij de procedure, omdat zij de opleiding op dat moment al bijna een jaar volgde, en zij nog altijd bijstand ontving. Het geschil ziet op de periode na 24 augustus 2019, als de arbeidsverplichtingen weer onverkort van toepassing zijn. Omdat die situatie ten tijde van de aangevallen uitspraak niet aan de orde was en ook onduidelijk is of appellante daardoor onverhoopt gedwongen zou zijn om haar opleiding voortijdig af te breken, is de rechtbank van oordeel dat appellante onvoldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de beroepen.

3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Ook heeft zij aangevoerd dat er geen verbod geldt voor het volgen van haar opleiding zodat toestemming niet nodig is. Zij heeft er ook op gewezen te verwachten de opleiding eind november 2020 af te ronden.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264) bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.

4.2.

De Raad begrijpt de besluitvorming van het dagelijks bestuur zo dat zij bij besteden besluit 2 onder meer bestreden besluit 1, voor zover daarbij de afwijzing was gehandhaafd, heeft ingetrokken en vervangen door de ongegrondverklaring van het bezwaar tegen het e-mailbericht van 18 juli 2018. Omdat appellante ook beroep heeft ingesteld tegen bestreden besluit 2 had appellante geen belang bij een inhoudelijke beoordeling van bestreden besluit 1. Dit betekent dat de rechtbank het tegen bestreden besluit 1 ingestelde beroep terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt in zoverre niet.

4.3.

Appellante heeft aangevoerd dat zij met haar beroep wilde bereiken dat zij met behoud van haar uitkering haar opleiding ook na 24 augustus 2019 kon vervolgen. De beoogde einddatum van de opleiding was op dat moment juni 2020. Dat appellante ten tijde van de aangevallen uitspraak de opleiding volgde, bijstand ontving, en tot 24 augustus 2019 was ontheven van de arbeidsverplichtingen, betekent niet dat wat zij met haar beroep tegen bestreden besluit 2 wilde bereiken voor haar geen feitelijke betekenis had. Dat die betekenis ziet op een toekomstige periode betekent niet dat appellante geen actueel procesbelang had bij een uitspraak van de rechtbank. Het ging immers niet om een onzekere toekomstige gebeurtenis, maar om een verwachte voortzetting van de op dat moment bestaande situatie. Er waren geen aanwijzingen dat appellante haar studie na 24 augustus 2019 zou staken. Dat betekent dat het hoger beroep slaagt, en dat de rechtbank het tegen bestreden besluit 2 ingestelde beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad zal de aangevallen uitspraak in zoverre vernietigen.

4.4.

De zaak behoeft geen nadere behandeling door de rechtbank, zodat er geen aanleiding is om, zoals appellante heeft verzocht, de zaak terug te wijzen naar de rechtbank. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil zal de Raad, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen bestreden besluit 2 beoordelen.

4.5.

De Raad ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of het e-mailbericht van 18 juli 2018 een besluit is als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Ingevolge dat artikellid wordt onder een besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Met het begrip rechtshandeling wordt gedoeld op een handeling gericht op rechtsgevolg. In het e-mailbericht van 18 juli 2018 staat dat een tweejarige hbo-opleiding met behoud van bijstand geen algemeen geaccepteerde arbeid is, die passend is om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Daarmee is het bericht niet een beslissing die erop is gericht een bevoegdheid, recht of verplichting voor appellante te doen ontstaan of teniet te doen. Het e-mailbericht van 18 juli 2018 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Het dagelijks bestuur heeft dan ook ten onrechte bij bestreden besluit 2 het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. De Raad zal, doende wat de rechtbank zou behoren te doen, het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dit besluit in zoverre vernietigen. Voorts zal de Raad zelf in de zaak voorzien door het tegen het e-mailbericht van 18 juli 2018 gerichte bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren.

4.6.

Nu het e-mailbericht van 18 juli 2018 geen besluit is, heeft het dagelijks bestuur in bestreden besluit 2 voorts ten onrechte geoordeeld dat de afwijzing niet is gericht op rechtsgevolg omdat dat rechtsgevolg al teweeg was gebracht door het e-mailbericht van 18 juli 2018. De Raad zal bestreden besluit 2 ook in zoverre vernietigen en om proceseconomische redenen het bezwaar tegen de afwijzing inhoudelijk beoordelen.

4.6.1.

Met de afwijzing heeft het dagelijks bestuur, zoals de Raad begrijpt uit bestreden besluit 2, beoogd om appellante niet de volgens het dagelijks bestuur vereiste toestemming te verlenen om de opleiding te (ver)volgen. Het dagelijks bestuur heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de gevraagde voorziening niet voldoet aan de daaraan gestelde voorwaarden in artikel 10, eerste lid, van de PW, in samenhang gelezen met artikel 5.1 van de Nadere regel Re-integratie Participatiewet gemeente Roosendaal (Nadere regel).

4.6.2.

Artikel 10, eerste lid, van de PW bepaalt dat personen die algemene bijstand ontvangen aanspraak hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8a, op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling. Artikel 10, eerste en derde lid, van de
Re-integratieverordening Participatiewet 2015 gemeente Roosendaal (Verordening), bepaalt dat het college aan de persoon die behoort tot de doelgroep scholing of opleiding kan aanbieden die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert en dat het college nadere regels kan vaststellen ten aanzien van de wijze van uitvoering van het scholingsinstrument en de voorwaarden die hieraan verbonden worden. In artikel 5.1, eerste en vierde lid van de Nadere regel is bepaald dat scholingstrajecten als bedoeld in artikel 10 van de Verordening worden aangeboden aan personen in een re-integratietraject indien de scholing noodzakelijk wordt geacht om instroom in algemeen geaccepteerde arbeid te realiseren en dat de duur van het scholingstraject maximaal twaalf maanden is.

4.6.3.

Anders dan het dagelijks bestuur kennelijk veronderstelt, bevatten de in 4.6.2 genoemde bepalingen geen verplichting voor personen die algemene bijstand ontvangen om aan het dagelijks bestuur toestemming te vragen voor het volgen van een zelf gekozen en bekostigde opleiding. Het dagelijks bestuur heeft op grond van deze bepalingen dan ook niet de bevoegdheid om appellante toestemming te verlenen of te weigeren om de door haar gekozen opleiding te (ver)volgen. Het dagelijks bestuur heeft daar desgevraagd ook geen andere wettelijke grondslag voor kunnen noemen. Dat betekent dat het dagelijks bestuur niet bevoegd was om appellante bij de afwijzing toestemming te weigeren om de door haar gekozen opleiding te (ver)volgen. De Raad zal het bezwaar gegrond verklaren en de afwijzing herroepen.

5. Aanleiding bestaat om het dagelijks bestuur te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en op € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal dus € 2.100,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 13 december 2018 niet-ontvankelijk is verklaard;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 13 december 2018 gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 13 december 2018;

  • -

    verklaart het bezwaar tegen het e-mailbericht van 18 juli 2018 niet-ontvankelijk, herroept het besluit van 7 september 2018 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 13 december 2018;

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

  • -

    veroordeelt het dagelijks bestuur in de proceskosten van appellante tot een bedrag van
    € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat het dagelijks bestuur aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. van Paridon, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2020.

(getekend) M. van Paridon

(getekend) D. Bakker