Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3541

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
08-01-2021
Zaaknummer
19/4687 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat, gelet op alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien, van een gezagsverhouding tussen werkgeefster en appellant geen sprake is geweest. Het Uwv heeft zich dan ook in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat appellant geen werknemer was en niet was verzekerd voor de werknemersverzekeringen. De in het geding zijnde ZW- en WW-uitkeringen zijn daarom terecht ingetrokken en een WIA-uitkering is terecht geweigerd. Tegen de terugvordering van de ZW- en WW-uitkeringen heeft appellant geen gronden aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2021-0182
Viditax (FutD), 12-01-2021
USZ 2021/49
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4687 ZW

Datum uitspraak: 31 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van 18 oktober 2019 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 1 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1460, heeft de Raad de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2016 (16/997) en van 9 mei 2017 (16/4058) vernietigd, de beroepen tegen de besluiten van 4 januari 2016 en 10 mei 2016 gegrond verklaard en die besluiten vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar van appellant tegen de (primaire) besluiten van 9 maart 2015, 16 april 2015 en 30 november 2015, met inachtneming van de uitspraak van de Raad. Daarbij is met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat tegen het door het Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Het Uwv heeft op 18 oktober 2019 een nieuw besluit genomen (bestreden besluit).

Namens appellant heeft mr. M. Gümüs, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2020. Namens appellant is mr. Gümüs verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele en E.J.M. Kaandorp.

OVERWEGINGEN

1. Voor een weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 1 mei 2019.

2. Het Uwv heeft bij het bestreden besluit de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 9 maart 2015, 16 april 2015 en 30 november 2015 wederom ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe als volgt overwogen. Centraal in de procedures staat of appellant verzekerd was voor de sociale verzekeringswetten in de periode dat hij werkte in de onderneming [werkgeefster] (werkgeefster), die eigendom was van zijn dochter [naam dochter] . De Raad heeft in zijn uitspraak van 1 mei 2019 geoordeeld dat onvoldoende was onderzocht of appellant wel onder het gezag van zijn dochter als werkgever stond. In het kader van aanvullend onderzoek heeft het Uwv een schriftelijke verklaring van 2 juli 2019 ontvangen van de dochter van appellant en heeft haar op 7 oktober 2019 gesproken. De dochter van appellant kon weinig inhoudelijks verklaren over de start en beëindiging van haar ondernemingen [werkgeefster] en [BV 1] Ook wist zij zich geen namen te herinneren van leveranciers en de administrateur. Daarnaast was zij niet consistent in haar verklaringen. Uit niets blijkt dat de dochter van appellant gezag en eindverantwoordelijkheid had binnen haar onderneming op basis waarvan zij appellant als werknemer kon aansturen. Daar komt bij dat zij op 11 november 2013 als werknemer in dienst is getreden van [BV 2] op grond van een op 6 november 2013 opgemaakte arbeidsovereenkomst. Nu zij vanaf die datum weer onder het gezag stond van appellant en [naam 1] is niet aannemelijk dat zij van 5 april 2013 tot 5 november 2013 wel gezag had over appellant. Gelet hierop – in aanvulling op wat is beschreven in de besluiten van 4 januari 2016 en 10 mei 2016 – is volgens het Uwv aannemelijk gemaakt dat appellant geen werknemer was in de zin van de Ziektewet (ZW), de Werkloosheidswet (WW) en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De ZW- en WW-uitkeringen zijn daarom terecht ingetrokken en een WIA-uitkering is terecht geweigerd. Met betrekking tot de terugvordering verwijst het Uwv naar zijn brief van 25 september 2019 waarin staat dat appellant op dit moment geen terugbetalingscapaciteit heeft.

3.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat zijn dochter weinig wist van de start en de beëindiging van [werkgeefster] en [BV 1] omdat zes jaar na dato de informatie is vervaagd en is vergeten. Ook heeft zij door persoonlijke omstandigheden een moeilijke tijd achter de rug. Zij had tijdens het verhoor ook niet alle kennis paraat omdat zij de gegevens van [werkgeefster] zes jaar geleden aan de curator heeft overhandigd. Als zij eerder was bevraagd was zij in staat geweest om volledige antwoorden te geven. Daar komt bij dat zij de nare ervaring van het faillissement zo snel mogelijk wilde vergeten. De dochter van appellant was destijds voornamelijk bezig met acquisitie terwijl de monteurs zelfstandig werkten. Appellant had ruime werkervaring op dit gebied en kon ook de controlewerkzaamheden uitvoeren. De dochter van appellant had veel ondersteuning van [naam 1] . Het enkele feit dat loonbetalingen door Philippa werden ondertekend, leidt niet tot de conclusie dat zij de financiële zaken niet deed. Op 26 november 2013 is een e-mail verstuurd vanuit de e-mailbox van appellant. Deze e-mail is echter niet door appellant verstuurd, maar door zijn dochter die toegang had tot zijn account. Appellant was een werknemer die monteerwerkzaamheden verrichtte bij diverse opdrachtgevers. Hij heeft vanwege zijn ruime ervaring tips gegeven aan zijn dochter en haar waar nodig geholpen. Dit neemt niet weg dat er wel een gezagsverhouding bestond tussen zijn dochter en hem. Dit is door zijn dochter onderschreven in haar verklaring van 2 juli 2019 en nader toegelicht tijdens het gesprek op 7 oktober 2019.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht om het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond te verklaren. Uit niets blijkt dat de dochter van appellant gezag en eindverantwoordelijkheid had. Door appellant is aangevoerd dat de overname van het bedrijf een grote stap in het leven van zijn dochter was, zeker gelet op haar leeftijd. Het is dan ook bijzonder dat zij bijna niets meer weet over de overname. Daarnaast heeft de dochter van appellant op 2 juli 2019 verklaard dat de financiële zaken alleen door haar werden afgewikkeld. Uit de stukken blijkt echter dat de financiële zaken voornamelijk door appellant en [naam 1] werden verricht. Ook weet de dochter van appellant de naam van de boekhouder niet meer en weet zij niet één leverancier te benoemen. Ook heeft zij op 2 juli 2019 verklaard dat zij de persoon was die altijd de werkzaamheden controleerde, terwijl zij tijdens het gesprek op 7 oktober 2019 heeft verklaard dat zij het werk van appellant niet controleerde. Tot slot is het volgens het Uwv opmerkelijk dat de dochter van appellant heeft verklaard dat zij [naam 2] niet kent, terwijl hij het bedrijf heeft overgenomen. Het Uwv blijft dan ook bij het standpunt dat de dochter van appellant geen consistente verklaring heeft gegeven over haar rol binnen [werkgeefster] en dat zij niet goed kan onderbouwen waaruit blijkt dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen haar en appellant.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het wettelijke kader en de relevante rechtspraak van de Raad wordt verwezen naar punt 4.1.1 tot en met 4.3.1 van de uitspraak van de Raad van 1 mei 2019.

4.2.

In de uitspraak van 1 mei 2019 is overwogen dat het onderzoeksrapport van 10 februari 2015, waarop het Uwv zich destijds had gebaseerd, onvoldoende aanknopingspunten bevat voor het standpunt van het Uwv dat appellant wegens het ontbreken van een gezagsverhouding tussen hem en zijn dochter niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan tot [werkgeefster] Voor de aanname dat appellant feitelijk de leiding had binnen het bedrijf en ten opzichte van haar niet in een gezagsverhouding stond, is inzicht nodig in de verhouding tussen appellant en zijn dochter, waarbij van belang is op welke wijze zij inhoud en uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding. Nu het hier gaat om een rechtsverhouding tussen een 18-jarige dochter en haar vader, waarbij laatstgenoemde beschikte over de inhoudelijke vakkennis, is met name de wijze waarop de dochter invulling gaf aan het werkgeverschap van belang. Het dossier bevatte hierover echter geen informatie en de dochter van appellant was niet gehoord. Geconcludeerd is daarom dat sprake was van een motiveringsgebrek.

4.3.

In geschil is of het Uwv in het bestreden besluit op grond van aanvullend onderzoek  de schriftelijke verklaring van 2 juli 2019 van de dochter van appellant en het gesprek met haar op 7 oktober 2019  het in de uitspraak van 1 mei 2019 geconstateerde motiveringsgebrek heeft gerepareerd en aannemelijk heeft gemaakt dat er tussen appellant en zijn dochter geen sprake is geweest van een gezagsverhouding. Daarbij moet, zoals is overwogen in punt 4.3.1 van de uitspraak van 1 mei 2019, in aanmerking worden genomen dat er ingevolge de ZW en WW belastende besluiten zijn genomen door het Uwv en dat het Uwv in het voorliggende geval feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat tussen appellant en werkgeefster geen sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW. Indien het Uwv in deze bewijslast slaagt ligt het op de weg van appellant om de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.4.

Het Uwv is met de in het bestreden besluit gegeven motivering in deze bewijslast geslaagd. Het heeft daarbij terecht belang gehecht aan het feit dat de dochter van appellant geen weet heeft van essentiële aspecten of daarover inconsistente verklaringen heeft afgelegd, zoals de overname en verkoop van de onderneming, de behandeling van financiële zaken, de boekhouder en leveranciers. Dit maakt ongeloofwaardig dat zij feitelijk eindverantwoordelijke in het bedrijf is geweest en werkgeversgezag heeft uitgeoefend. Dat zij door het tijdverloop informatie over deze onderwerpen zou zijn vergeten, is evenmin geloofwaardig, te minder nu zij zich op haar verklaring van 2 juli 2019 en het gesprek op 7 oktober 2019 heeft kunnen voorbereiden. Haar verklaringen over de wijze waarop zij aan de arbeidsverhouding met haar vader invulling heeft gegeven zijn summier. Zij verklaart op 2 juli 2019 dat zij opdrachten voor werkzaamheden gaf en het werk altijd controleerde. Tijdens het gesprek op 7 oktober 2019 verklaart zij echter dat haar vader zijn eigen werk nakeek. Het Uwv heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat, gelet op alle omstandigheden van het geval in onderlinge samenhang bezien, van een gezagsverhouding tussen werkgeefster en appellant geen sprake is geweest.

4.5.

Appellant heeft de onjuistheid van het standpunt van het Uwv niet met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk gemaakt. Uit de door hem in beroep en in hoger beroep ingediende verklaringen blijkt niet dat tussen appellant en zijn dochter een gezagsverhouding bestond.

4.6.

Het Uwv heeft zich dan ook in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat appellant geen werknemer was en niet was verzekerd voor de werknemersverzekeringen. De in het geding zijnde ZW- en WW-uitkeringen zijn daarom terecht ingetrokken en een WIA-uitkering is terecht geweigerd. Tegen de terugvordering van de ZW- en WW-uitkeringen heeft appellant geen gronden aangevoerd.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het beroep van appellant tegen het bestreden besluit niet slaagt en dat het beroep ongegrond wordt verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en A.I. van der Kris en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) A.M.M. Chevalier

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.