Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3527

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
20/391 ZVW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van beslissingen op de bezwaren tegen de primaire besluiten 1 en 2 terecht niet ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 391 ZVW

Datum uitspraak: 23 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 14 januari 2020, 19/1448 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] ( [gemeente] ) (Portugal) (appellant)

CAK

PROCESVERLOOP

Vanaf 1 januari 2017 oefent CAK in zaken als deze de bevoegdheden uit die voorheen door het Zorginstituut Nederland en daarvoor door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) werden uitgeoefend. In deze uitspraak wordt onder CAK mede verstaan het Zorginstituut Nederland en Cvz.

Namens appellant heeft P.A.O. Lashley (hierna: gemachtigde) hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020 door middel van beeldbellen. Appellant of zijn gemachtigde hebben niet deelgenomen aan deze zitting, ondanks te zijn opgeroepen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.G.S. Koning en mr. J.M. Nijman.

OVERWEGINGEN

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont in Portugal en ontving in 2015 een pensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet.

1.2.

CAK heeft appellant bij besluit van 25 maart 2014 (primair besluit 1) op grond van Verordening (EG) nr. 883/2004 vanaf 1 oktober 2013 als verdragsgerechtigde aangemerkt waardoor hij recht heeft op zorg in zijn woonland (Portugal), ten laste van Nederland. Voor dit recht op zorg is betrokkene een bijdrage verschuldigd (buitenlandbijdrage) die wordt ingehouden op zijn pensioen of uitkering.

1.3.

CAK heeft bij besluit van 9 september 2016 (primair besluit 2) de voorlopige jaarafrekening buitenlandbijdrage Zorgverzekeringswet 2015 vastgesteld op € 1.022,39. Na verrekening van inhoudingen resteert een te betalen bedrag van € 282,89.

2.1.

Op 27 februari 2019 heeft appellant beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door het CAK op zijn bezwaar van 1 mei 2014 tegen primair besluit 1 en zijn bezwaar van 20 oktober 2016 tegen primair besluit 2. Daarbij heeft hij gesteld dat hij CAK op 1 juli 2014 en 16 december 2016 in gebreke heeft gesteld in verband met het niet beslissen op zijn bezwaren tegen de primaire besluiten 1 en 2. Verder heeft hij gesteld dat hij reeds op 1 augustus 2014 en 15 januari 2017 bij de rechtbank beroep heeft ingesteld tegen het uitblijven van beslissingen op zijn bezwaar tegen de primaire besluiten 1 en 2, maar zou hij van de rechtbank hebben begrepen dat hij deze beroepschriften opnieuw zou moeten indienen. Appellant heeft kopieën bijgevoegd van:

  • -

    bezwaarschriften van 1 mei 2014 en 20 oktober 2016 met stempelafdrukken van die data en waarop is vermeld ‘Ingekomen Variabele datum -1 mei 2014 (resp. 20 okt. 2016) B/CFD [adres 1] ’;

  • -

    enveloppen waarop is vermeld ‘Bezwaar’ en ‘Bezwaar 2’ die geadresseerd zijn aan het College Zorgverzekeringen (CVZ) en Zorginstituut Nederland (ZIN) en met stempelafdrukken van 1 mei 2014 en 20 oktober 2016 en de tekst: ‘PostNL, …, [adres 2] ;

  • -

    ingebrekestellingen van 1 juli 2014 en 16 december 2016 met stempelafdrukken van die data en waarop is vermeld ‘Ingekomen Variabele datum -1 juli 2014 (resp. 16 dec. 2016) B/CFD [adres 1] ’;

  • -

    enveloppen waarop is vermeld ‘ingebrekestelling’ en ‘ingebrekestelling 2’, die geadresseerd zijn aan CVZ en ZIN met stempelafdrukken van 1 juli 2014 en 16 december 2016 en de tekst: ‘PostNL, …, [adres 2] .

2.2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de bezwaren tegen de primaire besluiten 1 en 2 niet ontvankelijk verklaard.

2.2.2.

Voor zover al bezwaarschriften tegen de primaire besluiten 1 en 2 zijn afgegeven bij de Belastingdienst in Hoofddorp heeft de rechtbank geoordeeld dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat deze bezwaarschriften – gelet op de door de gemachtigde ter zitting gegeven verklaring – niet per vergissing zijn ingeleverd bij het onbevoegde orgaan. Dit betekent dat voor de vraag of tijdig bezwaar is gemaakt niet het tijdstip van indiening bij het onbevoegde bestuursorgaan, de Belastingdienst Hoofddorp, bepalend is, maar dat de hoofdregel geldt dat een bezwaarschrift op tijd en op de goede plaats binnen moet zijn.

2.2.3.

Over het gestelde indienen van bezwaarschriften tegen de primaire besluiten 1 en 2 bij CAK heeft de rechtbank overwogen dat CAK heeft aangevoerd deze niet te hebben ontvangen. De gemachtigde heeft om aannemelijk te maken dat hij deze bezwaarschriften tijdig per post heeft bezorgd, kopieën van enveloppen overgelegd met daarop een datumstempel van PostNL, waaruit de verzending van de bezwaarschriften zou moeten blijken. Het overleggen van kopieën van enveloppen, met daarop een datumstempel van PostNL waarop met pen is geschreven welke brief met die envelop zou zijn verzonden, is volgens de rechtbank echter onvoldoende om aannemelijk te maken dat appellant de bezwaarschriften tijdig ter post heeft bezorgd. Nu is nagelaten de bezwaarschriften per aangetekende post te verzenden dan wel persoonlijk bij het juiste bestuursorgaan af te geven, is niet aannemelijk geworden dat daadwerkelijk (tijdig) bezwaar is gemaakt tegen de primaire besluiten 1 en 2. Van een situatie dat CAK ten tijde van het indienen van het beroepschrift in gebreke was tijdig een besluit te nemen, is dan ook geen sprake.

3.1.

In hoger beroep heeft de gemachtigde zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat hij aantoonbaar aannemelijk heeft gemaakt dat de bezwaarschriften en de ingebrekestellingen tijdig zijn ingeleverd bij de Belastingdienst en tijdig per post zijn verstuurd naar CAK.

3.2.

CAK heeft in zijn verweerschrift verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het beroep van appellant niet‑ontvankelijk is omdat hij niet tijdig bezwaar heeft gemaakt tegen de besluiten van 25 maart 2014 en 9 september 2016.

4.2.

De Raad beantwoordt die vraag bevestigend. De Raad verwijst daarvoor naar zijn uitspraken van heden in de zaken 19/1722 ZVW en 19/2668 ZVW. In die uitspraken heeft de Raad geoordeeld dat het indienen van bezwaarschriften bij de Belastingdienst tegen besluiten van CAK in een situatie als daar omschreven wordt aangemerkt als kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, derde lid, van de Awb. Over het indienen van bezwaarschriften bij CAK is in die uitspraken geoordeeld dat CAK de (tijdige) ontvangst ervan heeft ontkend en dat de gemachtigde met de stempelafdrukken van PostNL niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij of appellant de bezwaarschriften op die data heeft verzonden naar CAK. In die uitspraken zijn de gestelde ter post bezorging op de op de stempelafdrukken vermelde data ongeloofwaardig en de door de gemachtigde daartoe gegeven verklaringen zelfs leugenachtig genoemd. Bij dat oordeel sluit de Raad zich ook in dit geval volledig aan. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het niet tijdig nemen van beslissingen op de bezwaren tegen de primaire besluiten 1 en 2 terecht niet ontvankelijk heeft verklaard.

4.3.

Hieruit volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van D.S. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) D.S. Barthel