Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3519

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
19/1154 WLZ
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvraag om de eigen bijdrage voorlopig vast te stellen op basis van de inkomensgegevens over het lopende jaar (peiljaarverlegging) terecht afgewezen. De regels van het Blz en de Rlz zijn dwingendrechtelijk van aard en limitatief. Dat appellante meer uitgaven doet dan zij uit haar zak- en kleedgeld kan betalen vormt geen bijzondere omstandigheid, nog daargelaten dat de noodzaak van deze uitgaven voor het kunnen verrichten van haar werk niet is onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/47
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1154 WLZ

Datum uitspraak: 23 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 1 februari 2019, 18/5114 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.F.M. Gulickx, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CAK heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2020. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Gulickx. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door S. Kozanhan.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) waarvoor zij een eigen bijdrage is verschuldigd.

1.2.

CAK heeft de (hoge) eigen bijdrage van appellante voor het jaar 2018 op basis van de inkomensgegevens over het peiljaar 2016 vastgesteld op € 824,15 per maand.

1.3.

Bij besluit van 7 maart 2018 heeft CAK de aanvraag van appellante om de eigen bijdrage voorlopig vast te stellen op basis van de inkomensgegevens over het lopende jaar (peiljaarverlegging) afgewezen. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en daarbij een overzicht van haar uitgaven gegeven, waaronder uitgaven voor de auto, telefoon, televisie, fiets, verzekeringen en aflossingsverplichtingen.

1.4.

Bij besluit van 11 juli 2018 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar van appellante tegen het besluit van 7 maart 2018 ongegrond verklaard. Daaraan heeft CAK ten grondslag gelegd dat appellante op grond van het in 2018 te verwachten bijdrageplichtig inkomen, na aftrek van de eigen bijdrage en de premie zorgverzekering en na vermeerdering met de zorgtoeslag, een inkomen overhoudt dat hoger is dan het voor het lopende jaar geldende bedrag voor zak- en kleedgeld van € 314,84 per maand.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. CAK heeft terecht vastgesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor peiljaarverlegging. Appellante heeft de hoogte van de bedragen die CAK in de berekening heeft betrokken niet betwist. De wijze waarop CAK moet berekenen of appellante minder over zou houden dan het zak- en kleedgeld en de kosten waarmee hij daarbij rekening kan houden is dwingendrechtelijk en limitatief vastgelegd. De bepalingen van het Besluit langdurige zorg (Blz) en de Regeling langdurige zorg (Rlz) bevatten geen hardheidsclausule of een coulanceregeling en bieden CAK geen ruimte om rekening te houden met bijzondere omstandigheden. Dit betekent dat CAK hiervan niet af kan wijken, tenzij geoordeeld moet worden dat strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard zozeer in strijd is met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval is in de situatie van appellante geen sprake. De artikelen 3.3.2.3, tweede lid, van het Blz en 4.1 van de Rlz bieden dan ook geen ruimte om rekening te houden met andere kosten dan die daarin worden benoemd, zoals de door appellante aangevoerde vervoerskosten voor het woon- en werkverkeer. De stelling van appellante dat dit leidt tot ongewenste zorgmijding kan, hoe onwenselijk dit ook is, niet tot een ander oordeel leiden.

3.1.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat zij na het betalen van al haar kosten maandelijks te weinig zak- en kleedgeld overhoudt. CAK heeft ten onrechte geen rekening gehouden met de kosten die zij maakt vanwege haar werk, namelijk haar reiskosten, en had kunnen afwijken van de wettelijke regeling. Appellante heeft een aanzienlijke schuld door de hoogte van de eigen bijdrage. De oplopende kosten leiden tot zorgmijding.

3.2.

Ter zitting heeft appellante naar voren gebracht dat het verzoek om peiljaarverlegging alleen nog betrekking heeft op eigen bijdrage verschuldigd over de periode van 1 januari 2018 tot en met 26 april 2018. In verband met het verlaten van de instelling door appellante heeft CAK de eigen bijdrage voor de zes aansluitende maanden vastgesteld op € 161,80 (de lage eigen bijdrage).

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat CAK de eigen bijdrage overeenkomstig de bepalingen van de Blz en de Rlz heeft berekend. Volgens appellante had CAK echter rekening moeten houden met de kosten die zij maakt voor haar werk.

4.2.

Zoals eerder overwogen in de uitspraak van de Raad van 22 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1130, zijn de regels van het Blz en de Rlz dwingendrechtelijk van aard en limitatief gesteld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad zijn bijzondere omstandigheden denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard zozeer in strijd is met het ongeschreven recht dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. De beroepsgrond van appellante dat daarvan sprake is, slaagt niet. Dat appellante meer uitgaven doet dan zij uit haar zak- en kleedgeld kan betalen vormt geen bijzondere omstandigheid in voormelde zin, nog daargelaten dat de noodzaak van deze uitgaven voor het kunnen verrichten van haar werk niet is onderbouwd.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.A. Boersma, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020.

(getekend) J.P.A. Boersma

(getekend) L. Winters