Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3518

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
19/573 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Straf van onvoorwaardelijk ontslag terecht. Integriteitsschendingen. Plichtsverzuim bestaande uit het onder valse voorwendselen aannemen van zeer grote geldbedragen van collega’s en het ondanks herhaaldelijk verzoek niet terugbetalen van deze geldbedragen van collega’s. Appellant heeft ook in hoger beroep volstrekt geen openheid gegeven over de vermeende belegging(en) waar het geld van de betrokken collega’s beweerdelijk in geïnvesteerd zou zijn. Appellant ’s bewering dat hij het geld aan een neef in Suriname heeft gegeven en dat die die neef appellant zou hebben geïnstrueerd hoe hij de zaken zou moeten voorspiegelen aan de betrokken collega’s teneinde hen over te halen tot het overhandigen van geld, bijvoorbeeld door het opvoeren van een –overigens niet bestaande- notaris/advocaat in Amsterdam, is onvoldoende concreet en verifieerbaar en daarmee ongeloofwaardig. Dat appellant daarbij ook eigen vermogen zou hebben verloren, wat daar van zij, is evenmin aannemelijk geworden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 573 AW, 19/1639 AW

Datum uitspraak: 24 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

21 december 2018, 17/5702 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.F. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld.

Naar aanleiding van dit voorwaardelijk incidenteel hoger beroep heeft appellant zijn zienswijze naar voren gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. ten Berge en T. Dijkstra.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar en beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.1.

Appellant was sinds 16 oktober 2006 werkzaam bij de gemeente Amsterdam. Met ingang van 15 september 2015 is appellant geplaatst in de functie van [naam functie 1] bij [naam dienst] op de afdeling [naam afdeling]. Met ingang van 15 september 2016 zou appellant starten in de functie van [naam functie 2] bij [naam dienst] op de afdeling [naam afdeling].

1.2.

Eind juni 2016 heeft een medewerker bij de gemeente Amsterdam een vermoeden van een integriteitsschending gemeld. Op basis van deze melding en in opdracht van de directeur van [naam dienst] is Bureau Integriteit een integriteitsonderzoek gestart.

1.3.

Bij besluit van 15 september 2016 heeft het college appellant op grond van artikel 13.2, eerste en tweede lid, van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) met onmiddellijke ingang met behoud van bezoldiging geschorst en hem de toegang tot de werkplek ontzegd. Het bezwaar van appellant is ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 juli 2017 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 15 september 2016 niet-ontvankelijk verklaard.

1.4.

Bureau Integriteit heeft op 6 maart 2017 een rapport uitgebracht. Bij besluit van 14 maart 2017 heeft het college de schorsing van appellant voortgezet onder inhouding van zijn bezoldiging. Voorts heeft het college bij besluit van 26 april 2017 , overeenkomstig het voornemen van 14 maart 2017, waarop appellant zijn zienswijze heeft gegeven, appellant primair met onmiddellijke ingang de straf van onvoorwaardelijk ontslag verleend op grond van artikel 13.6, eerste lid, aanhef en onder f, van de NRGA en subsidiair ontslag verleend wegens een verstoorde arbeidsrelatie op grond van artikel 12.12, aanhef en onder b, van de NRGA. Aan het strafontslag is ten grondslag gelegd dat appellant de volgende gedragingen worden verweten:

  1. Appellant heeft van in elk geval drie collega’s grote geldbedragen geaccepteerd en heeft hen hiertoe misleid door de suggestie te wekken dat er met beleggingen geld verdiend kon worden. Er is echter nimmer rendement uitgekeerd. Deze collega’s hebben vervolgens herhaaldelijk verzocht om teruggave van deze geldbedragen. Appellant heeft van deze sommen geld het grootste gedeelte niet terugbetaald. De totale schuld aan de (voormalig) collega’s bedraagt ongeveer € 73.189,09. Ook heeft appellant aan de terugbetaling onduidelijke voorwaarden verbonden. Door vervolgens te verwijzen naar intieme privé-gegevens heeft appellant één of meerdere collega’s onder druk gezet en intimiderende uitspraken gedaan. Een aantal van deze mailwisselingen heeft zich tijdens werktijd voorgedaan en bovendien via het emailadres van de gemeente Amsterdam.

  2. Appellant heeft onvoldoende meegewerkt aan het onderzoek naar mogelijke integriteitsschendingen.

  3. Appellant is zonder de daarvoor noodzakelijke aankondiging naar het buitenland vertrokken, terwijl hij daarvoor niet de vereiste toestemming van zijn leidinggevende had gekregen.

  4. Appellant heeft zich niet aan de afspraken conform het verzuimprotocol gehouden. Van een ziekmelding gedurende de periode dat appellant in het buitenland verbleef is niets bekend.

1.5.

Bij besluit van 9 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het college overeenkomstig het advies van de bezwaarschriftencommissie de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 14 maart 2017 en 26 april 2017 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant de mogelijkheid heeft gekregen om zijn visie op de zaak in het onderzoek zowel mondeling als schriftelijk kenbaar te maken, desgewenst in het bijzijn van zijn raadsman. Verder is niet gebleken van ongeoorloofde druk of vooringenomenheid van de onderzoekers. Ook is niet gebleken dat het onderzoek anderszins onzorgvuldig is geweest of dat het college zich niet aan richtlijnen of voorschriften heeft gehouden. De rechtbank beschouwt als de meest ernstige verweten gedragingen:

- het onder valse voorwendselen aannemen van zeer grote geldbedragen van collega’s;

- het ondanks herhaaldelijk verzoek niet terugbetalen van deze geldbedragen van collega’s;

- het in reactie op terugbetalingsverzoeken verwijzen naar intieme privé-gegevens en één of meer collega’s onder druk zetten.

De rechtbank heeft zich in haar beoordeling beperkt tot deze drie gedragingen om te beoordelen of die gedragingen op zichzelf het (straf)ontslag al kunnen dragen. Overwogen is dat uit de berichten van appellant niet blijkt dat de geldbedragen onder invloed van valse voorwendselen zijn afgegeven. De moeilijkheid hierbij is bovendien dat het gaat om beleggingen en het te behalen resultaat van beleggingen uit de aard der zaak altijd onzeker is. Ook volgt uit de verklaringen dat de collega’s de geldbedragen vrijwillig en met instemming hebben overgemaakt, zodat niet is gebleken dat zij onvrijwillig handelden dan wel handelden als gevolg van valse voorwendselen van de zijde van appellant. De rechtbank acht wel aannemelijk geworden dat appellant ondanks herhaaldelijke verzoeken om terugbetaling de bewuste geldbedragen grotendeels niet aan zijn collega’s heeft terugbetaald en dat hij in reactie op terugbetalingsverzoeken heeft verwezen naar intieme privégegevens van V en hem onder druk heeft gezet. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze twee laatste gedragingen reeds worden gekwalificeerd als zeer ernstig en toerekenbaar plichtsverzuim waaraan de opgelegde straf van onvoorwaardelijk ontslag evenredig is. De rechtbank is daardoor niet meer aan de beoordeling van de overige gedragingen noch van de subsidiaire ontslaggrond toegekomen.

3. Partijen hebben zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant wil met zijn hoger beroep bereiken dat het onvoorwaardelijk ontslag ongedaan gemaakt wordt. Het college wil met het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep bereiken dat de gedraging dat de collega’s onvrijwillig dan wel onder valse voorwendselen van de zijde van appellant hebben gehandeld (gedraging 1) als toerekenbaar plichtsverzuim wordt aangemerkt.

4.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van

15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van hetgeen hij aan zijn beroep bij de rechtbank ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft deze gronden in de aangevallen uitspraak afdoende behandeld. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen en maakt die tot de zijne. Daarbij merkt de Raad op dat appellant ook in hoger beroep volstrekt geen openheid heeft gegeven over de vermeende belegging(en) waar het geld van de betrokken collega’s beweerdelijk in geïnvesteerd zou zijn. Appellant ’s bewering dat hij het geld aan een neef in Suriname heeft gegeven en dat die die neef appellant zou hebben geïnstrueerd hoe hij de zaken zou moeten voorspiegelen aan de betrokken collega’s teneinde hen over te halen tot het overhandigen van geld, bijvoorbeeld door het opvoeren van een –overigens niet bestaande- notaris/advocaat in Amsterdam, is onvoldoende concreet en verifieerbaar en daarmee ongeloofwaardig. Dat appellant daarbij ook eigen vermogen zou hebben verloren, wat daar van zij, is evenmin aannemelijk geworden.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. Aan de bespreking van het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van het college komt de Raad daarom niet toe. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas als voorzitter en J.J.T. van den Corput en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2020.

(getekend) H. Lagas

(getekend) M. Stumpel