Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3517

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
19/566 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijstand naar 50% van de gehuwdennorm op grond van artikel 24 PW. Appellant heeft een niet-rechthebbende partner die woont in het buitenland. Er is geen sprake van duurzaam gescheiden leven. Het college heeft onvoldoende onderzocht of de bijstand op grond van artikel 18, eerste lid, PW moet worden afgestemd. Afstemming is geen bevoegdheid maar een verplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2021/83
USZ 2021/102 met annotatie van Nacinovic, H.W.M.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 566 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 22 december 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 19 december 2018, 18/5122 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Tilburg (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. El Bellaj, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2020. Namens appellant is mr. El Bellaj verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Onwijn.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant woont in Nederland. Hij is gehuwd. Zijn echtgenote woont in Marokko. Appellant heeft zich op 31 januari 2018 gemeld om bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) aan te vragen en nog diezelfde dag een aanvraag ingediend. In het kader van het onderzoek naar aanleiding van die aanvraag heeft appellant onder meer verklaard dat zijn echtgenote inwoont bij zijn vader, dat zij geen inkomsten en vermogen heeft en appellant haar iedere maand ongeveer € 200,- stuurt en daarvoor soms geld moet lenen.

1.2.

Bij besluit van 12 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2018 (bestreden besluit), heeft het college appellant met ingang van 31 januari 2018 bijstand toegekend. Het college heeft met toepassing van artikel 24 van de PW de bijstand verleend naar 50% van de gehuwdennorm. Het college is er daarbij vanuit gegaan dat appellant niet duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote en dat zijn echtgenote geen recht heeft op bijstand omdat zij niet in Nederland woont. Voor afstemming van de hoogte van de bijstand met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW bestaat volgens het college geen aanleiding omdat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 31 januari 2018 tot en met 12 april 2018.

4.2 1.

Appellant heeft allereerst aangevoerd dat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Zijn echtgenote verblijft in Marokko en het is (vreemdelingenrechtelijk gezien) niet mogelijk om haar naar Nederland te laten komen, omdat appellant niet duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan. Appellant kan en wil zich niet voegen bij het huishouden van zijn echtgenote in Marokko, omdat hij zijn leven in Nederland heeft opgebouwd en niet zomaar in Marokko opnieuw kan beginnen.

4.2.2.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW wordt degene die duurzaam gescheiden leeft van de persoon met wie hij gehuwd is aangemerkt als ongehuwd. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 25 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2918) leven echtgenoten pas duurzaam gescheiden, als beiden of één van hen het echtelijk samenleven wil verbreken, waardoor ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt alsof hij niet met de ander gehuwd is en dit door ten minste één van beiden als blijvend is bedoeld. Dit zal moeten blijken uit concrete feiten en omstandigheden.

4.2.3.

De in 4.2.1 weergegeven beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is van belang dat appellant en zijn echtgenote niet de intentie hebben het huwelijk te beëindigen. Verder is de echtgenote van appellant na het huwelijk gaan inwonen bij de vader van appellant, verricht zij daar huishoudelijke taken en verzorgt zij hem. De echtgenote wordt feitelijk door de vader van appellant en zijn familie onderhouden. Verder hebben appellant en zijn echtgenote regelmatig contact met elkaar en verblijft hij gedurende zijn jaarlijkse vakantie bij zijn echtgenote in Marokko. Ook heeft appellant verklaard zijn echtgenote naar Nederland te willen laten komen. Appellant heeft weliswaar aangegeven dat dit momenteel, gezien zijn financiële situatie, niet mogelijk is, maar niet uitgesloten is dat dit – op termijn – verandert, bijvoorbeeld als appellant (weer) werk vindt. Bovendien bestaat de mogelijkheid voor appellant om zich te voegen bij het huishouden van zijn echtgenote in Marokko. Dat appellant er de voorkeur aan geeft om in Nederland te blijven, omdat hij hier inmiddels een leven heeft opgebouwd, is zijn eigen keuze. Dit betekent dat de situatie van gescheiden leven niet uitzichtloos is en dat van duurzaam gescheiden leven in de zin van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de PW geen sprake is. Het college heeft appellant voor de toepassing van de PW dan ook terecht als gehuwd aangemerkt.

4.3.1.

Appellant heeft voorts aangevoerd dat de toepassing van artikel 24 van de PW hem onder het sociaal minimum brengt en er reden is voor afstemming.

4.3.2.

Afstemming van de bijstandsnorm met toepassing van artikel 18, eerste lid, van de PW geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de PW, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoeften in het individuele geval. Volgens vaste rechtspraak, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2492, is voor afstemming in die zin slechts plaats in zeer bijzondere situaties.

4.3.3.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat een onhoudbare financiële situatie is ontstaan of dreigt te omstaan en dat het niet de taak is van het college om zelfstandig te onderzoeken of toepassing gegeven moet worden aan artikel 18, eerste lid, van de PW. Het college verwijst in dit verband naar de uitspraken van 7 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3891 en van 1 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1344.

4.3.4.

In het geval van appellant ligt dit anders. Appellant leeft niet duurzaam gescheiden van zijn echtgenote die in Marokko woont en daarom geen recht heeft op bijstand. Niet in geschil is dat de echtgenote van appellant niet over middelen beschikt. Door de gewijzigde tekst van artikel 24 van de PW krijgen bijstandsgerechtigden met een niet-rechthebbende partner en zonder kostendelende medebewoners met ingang van 1 januari 2016 bijstand verleend naar 50% van de norm voor gehuwden, terwijl dit voorheen 70% van de norm voor gehuwden was. Gelet op de uitspraken van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4103, ECLI:NL:CRVB:2019:4104 en ECLI:NL:CRVB:2019:4105 had de situatie van appellant voor het college aanleiding moeten zijn om zelfstandig te beoordelen of toepassing moet worden gegeven aan artikel 18, eerste lid, van de PW en had het college hier het nodige onderzoek naar moeten doen.

4.3.5.

Het college heeft betoogd dat de in 4.3.4 genoemde uitspraken van 17 december 2019 onbegrijpelijk zijn in het licht van de uitspraken genoemd in 4.3.3. Dit betoog faalt. Het gaat niet om vergelijkbare gevallen. In de uitspraken genoemd in 4.3.3 hadden de belanghebbenden immers kostendelende medebewoners.

4.3.6.

Het college heeft verder betoogd dat de PW voorziet in een bevoegdheid tot afstemming en dat van een verplichting geen sprake is. Ook dit betoog faalt. Artikel 18, eerste lid, van de PW schrijft afstemming voor. Artikel 18, eerste lid, van de PW luidt immers als volgt: “Het college stemt de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.”

4.3.7.

Van een onderzoek als bedoeld in 4.3.4 is niet gebleken. In het aan het besluit van 12 april 2018 ten grondslag liggende rapport van 12 april 2018 staat enkel dat er geen reden is tot afstemming naar een hogere norm en dat de omstandigheid dat appellant zijn echtgenote € 200,- stuurt een eigen keuze is. Ter zitting heeft het college in reactie op schriftelijke vragen van de Raad een berekening overgelegd waaruit volgens het college blijkt dat geen sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die nopen tot afstemming van de bijstand. In deze berekening heeft het college zich beperkt tot de inkomsten van appellant uit bijstand, huurtoeslag en zorgtoeslag en kosten bestaande uit huur en premie ziektekosten, alsmede voeding, berekend aan de hand van de normen die het Nibud voor de dagelijkse kosten aan voeding hanteert. Uit de door appellant overgelegde bankafschriften blijkt echter dat appellant kosten heeft die niet in de berekening zijn betrokken. Voorts blijkt uit voornoemd rapport van 12 april 2018 dat appellant meerdere schulden heeft. Dit heeft het college niet onderzocht, omdat volgens het college het hebben van schulden geen reden is voor afstemming. Het hebben van schulden kan echter ook wijzen op het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan. Van belang is voorts dat appellant in het kader van het onderzoek naar aanleiding van zijn aanvraag om bijstand weliswaar heeft verklaard dat hij zijn echtgenote iedere maand ongeveer € 200,- stuurt en daarvoor soms geld moet lenen, maar dat hij op de hoorzitting van 24 mei 2018 naar voren heeft gebracht dat, anders dan in het verleden, het sturen van geld naar zijn echtgenote in Marokko niet meer mogelijk is. De eerdere verklaring betrof het uitgavenpatroon van appellant in het verleden. Het college had alle relevante omstandigheden, mogelijkheden en middelen van appellant ten tijde van de bijstandsverlening moeten onderzoeken. Door dat na te laten heeft het college geen volledig beeld gekregen van de inkomsten en uitgaven van appellant, waardoor het college niet heeft kunnen vaststellen of de toepassing van artikel 24 van de PW in het geval van appellant leidt tot een voor hem financieel schrijnende situatie.

4.3.8.

De rechtbank heeft wat in 4.3.7 is overwogen niet onderkend. Daarom kan de aangevallen uitspraak niet in stand worden gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college zal opnieuw dienen te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit 12 april 2018 met inachtneming van deze uitspraak. Met het oog op een voortvarende afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen de door het college te nemen nieuwe beslissing op bezwaar slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant voor verleende rechtsbijstand. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep, dus in totaal € 2.100,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 14 juni 2018;

  • -

    draagt het college op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van
    deze uitspraak en bepaalt dat beroep tegen dit besluit slechts bij de Raad kan worden
    ingesteld;

  • -

    veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht
    van in totaal € 174,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) W.E.M. Maas

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip duurzaam gescheiden leven.