Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3515

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
19/513 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omdat appellant het hoofdverblijf heeft bij X, met haar gehuwd is geweest, en zij de moeder van zijn kinderen is, is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden dat zij een gezamenlijke huishouding voeren. Dat de kinderen meerderjarig zijn, doet daaraan niet af. Of sprake is van wederzijdse zorg is niet van belang. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet, nu de vermeende toezeggingen afkomstig zijn van een ander bestuursorgaan. Er is geen procesbelang bij de gedeeltelijke schorsing, nu de intrekking in stand blijft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/513 AOW, 19/586 AOW en 20/1111 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 december 2018, 18/980 (aangevallen uitspraak 1) en 18/4787 (aangevallen uitspraak 2) en 18 februari 2020, 19/3507 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 22 december 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Gomez Espinosa, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

De Svb heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2020. Namens appellant is mr. Gomez Espinosa verschenen. De Svb is heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 1 februari 2010 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW-pensioen) voor een alleenstaande pensioengerechtigde.

1.2.

Naar aanleiding van systeemmeldingen sinds 2013 dat twee of meer personen, waaronder een uitkeringsgerechtigde, geregistreerd staan op hetzelfde adres, heeft een medewerker van de Afdeling handhaving van de Svb in 2017 een onderzoek ingesteld naar de leefsituatie van appellant. Hierbij zijn het dossier en Suwinet geraadpleegd, is het waterverbruik opgevraagd en is op 10 augustus 2017 een huisbezoek afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 14 augustus 2017 (rapport).

1.3.

In het rapport is onder meer vermeld dat uit de gegevens van Suwinet is gebleken dat appellant sinds 23 januari 2008 op hetzelfde adres woont als zijn ex-echtgenote. Hij is van [datum] 1976 tot en met [datum] 1990 met haar gehuwd geweest en uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren.

1.4.

Bij besluit van 18 september 2017 heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant met toepassing van artikel 19 AOW vanaf september 2017 voorlopig verlaagd.

1.5.

Bij brief van 23 november 2017 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 september 2017.

1.6.

Bij besluit van 18 januari 2018 (bestreden besluit 1) heeft de Svb dit bezwaarschrift niet‑ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar.

1.7.

Bij besluit van 23 februari 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 14 juni 2018 (bestreden besluit 2), heeft de Svb het AOW-pensioen van appellant per 1 februari 2010 gewijzigd naar een AOW-pensioen voor een gehuwde.

1.8.

Bij besluit van 13 november 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 4 juni 2019 (bestreden besluit 3), heeft de Svb de kosten van het te veel betaalde AOW-pensioen over de periode 1 februari 2010 tot en met 30 augustus 2017 tot een bedrag van € 31.750,87 van appellant teruggevorderd.

2.1.

Bij aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen procesbelang meer heeft bij een beoordeling van het beroep, nu de Svb inmiddels bij besluit van 23 februari 2018 het AOW-pensioen definitief heeft herzien naar een pensioen voor een gehuwde, zodat hij met het beroep niet meer het resultaat kan bereiken dat hij ermee beoogde, namelijk een AOW-pensioen voor een alleenstaande.

2.2.

Bij aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil is dat appellant en zijn ex-echtgenote sinds 23 januari 2008 hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en dat uit hun relatie twee kinderen zijn geboren. Daarmee doet zich de situatie voor als bedoeld in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Dit betekent dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding, waarbij geen tegenbewijs mogelijk is. Hiermee is gegeven dat appellant vanaf 1 februari 2010 recht heeft op een AOW-pensioen voor een gehuwde in plaats van voor een alleenstaande.

2.3.

Bij aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 3 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, voor zover nu van belang, overwogen dat de Svb de hoogte van de terugvordering voldoende heeft gemotiveerd met de aan appellant verstrekte specificatie over de periode van februari 2010 tot en met augustus 2017, waarin per maand is uiteengezet hoeveel AOW-pensioen aan appellant is uitgekeerd, op welk bedrag hij gelet op de herziening recht had en wat het verschil is tussen die bedragen. Het beroep op verjaring is door de rechtbank verworpen, omdat de verjaringstermijn niet bij de aanvraag in 2010 of bij de systeemmeldingen in 2013 is gaan lopen, maar bij de herziening in 2018. Pas toen werden de feiten en omstandigheden bekend op grond waarvan het voor de Svb duidelijk was dat er teruggevorderd moest worden. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de zogenaamde zesmaanden-jurisprudentie niet van toepassing is, omdat appellant zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden en geen concrete signalen zijn afgegeven waaruit de Svb kon afleiden dat er teveel AOW-pensioen werd verstrekt.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij eerst de gronden gericht tegen aangevallen uitspraak 2 worden besproken.

Aangevallen uitspraak 2

4.1.

Appellant heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van een gezamenlijke huishouding, nu de Svb zijn standpunt dat sprake is van een gezamenlijke huishouding niet heeft gebaseerd op een onweerlegbaar rechtsvermoeden, maar op het feit dat appellant samen met een andere persoon op één adres woont (huisvestingscriterium) én op het standpunt dat ieder een bijdrage levert aan het huishouden (zorgcriterium). Deze beroepsgrond slaagt alleen al niet omdat het standpunt van de Svb niet juist is weergegeven. De Svp heeft zich namelijk in bestreden besluit 2 op het standpunt heeft gesteld dat, nu vaststaat dat appellant en zijn ex-echtgenote vanaf 1 februari 2010 het hoofdverblijf hebben gehad op hetzelfde adres en uit hun eerdere huwelijk twee kinderen zijn geboren, sprake is van een onweerlegbaar rechtsvermoeden, dat op grond daarvan moet worden geconcludeerd dat appellant vanaf 1 februari 2010 met zijn ex-echtgenote een gezamenlijke huishouding voert en daarom vanaf die datum recht heeft op een AOW-pensioen voor een gehuwde.

4.2.

Appellant heeft verder aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet in geschil is dat hij en zijn ex-echtgenote in de periode waar het hier over gaat hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad. Volgens appellant heeft de Svb hier onvoldoende onderzoek naar gedaan. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. Appellant en zijn ex-echtgenote stonden op hetzelfde adres ingeschreven en appellant heeft ook zelf herhaaldelijk verklaard dat hij een in hetzelfde huis als zijn ex-echtgenote feitelijk woonachtig was. Hierdoor bestond voor de Svb geen enkele aanleiding om nader onderzoek te verrichten naar het hoofdverblijf van appellant. Daarmee is sprake van een onweerlegbaar rechtsvermoeden van het bestaan van een gezamenlijke huishouding, waarbij geen tegenbewijs mogelijk is. Wat appellant heeft aangevoerd over de vraag of de overige onderzoeksbevindingen dragend zijn voor de conclusie dat sprake is van wederzijdse zorg, behoeft daarom geen bespreking.

4.3.

Appellant heeft aangevoerd dat het onweerlegbaar rechtsvermoeden van

artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW niet aan hem mag worden tegengeworpen, nu het huwelijk al in 1990 is ontbonden en de kinderen meerderjarig zijn. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (vergelijk uitspraak van 8 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4234) is voor het onweerlegbaar rechtsvermoeden als dat van onder meer artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW de leeftijd van het uit een relatie geboren kind niet van belang. Dat het huwelijk al lang geleden is ontbonden leidt evenmin tot een ander oordeel.

4.4.

Appellant heeft aangevoerd dat sprake is van strijd met het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel, nu de Svb pas in 2017 een onderzoek is gestart naar de woonsituatie vanaf 2010, terwijl er al in 2013 systeemmeldingen waren dat er meer personen op hetzelfde adres woonden en de gemeente Breda hem destijds heeft meegedeeld dat hij middels het huren van een kamer bij zijn ex-echtgenote alleenstaande is en hij zich geen zorgen hoeft te maken. Deze beroepsgrond slaagt ook niet. De gemachtigde van de Svb heeft ter zitting het volgende verklaard over de strekking van de meldingen. Deze zagen er uitsluitend op dat in de basisregistratie personen op het adres van een uitkeringsgerechtigde meerdere personen waren ingeschreven. Er is niet gemeld dat appellant zijn hoofdverblijf had op hetzelfde adres als de moeder van zijn kinderen. De beroepsgrond slaagt dus reeds niet, omdat uit de melding als zodanig niet volgt dat appellant geen recht had op AOW voor een alleenstaande. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en, zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen (uitspraak van 31 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4351). Hiervan is geen sprake, nu de mededelingen waarop appellant doelt niet zijn gedaan door de Svb. Overigens ontbreekt informatie over de precieze inhoud en strekking van de mededelingen.

4.5.

Appellant heeft aangevoerd dat er dringende redenen zijn om van de herziening af te zien. Hij is hierdoor in ernstige financiële problemen gekomen. Hij kampt al geruime tijd met blaas- en slokdarmkanker. Hij heeft het psychisch en lichamelijk erg zwaar.

4.6.

Ingevolge artikel 17a, tweede lid, van de AOW kan de Svb besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn. Het moet dan gaan om incidentele uitzonderingen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle omstandigheden plaatsvindt (vergelijk ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6492). Appellant heeft niet met stukken onderbouwd dat hij als gevolg van de herziening zeer ernstige gezondheidsproblemen heeft of dat de herziening een zodanig ernstige invloed heeft op zijn psychische gesteldheid dat dit als een uitzonderlijke situatie moet worden beschouwd. De Svb heeft dan ook in wat appellant heeft aangevoerd geen dringende reden hoeven zien om van herziening af te zien.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 2 niet slaagt, zodat die uitspraak moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 1

4.8.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 24 november 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO4946) is voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben.

4.9.

De Svb heeft bij bestreden besluit 2 het AOW-pensioen van appellant per 1 februari 2010 herzien naar een AOW-pensioen voor een gehuwde. Dit besluit ziet dus ook op de periode vanaf 1 september 2017 waarin de betaling van het pensioen gedeeltelijk is geschorst bij het besluit van 18 september 2017. Gelet op 4.7 houdt die herziening in rechte stand. Nu ook overigens niet was gebleken van belang bij de beoordeling heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.10.

Uit 4.8 en 4.9 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 1 niet slaagt, zodat die uitspraak moet worden bevestigd.

Aangevallen uitspraak 3

4.11.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellant heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist dan wel onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2.3 weergegeven, waarop dat oordeel rust. Met betrekking tot de beroepsgrond dat de hoogte van het teveel ontvangen bedrag onvoldoende is onderbouwd voegt de Raad daaraan nog toe dat de vertegenwoordiger van de Svb ter zitting heeft toegelicht dat de specificatie aan de hand van informatie in het digitale systeem speciaal gemaakt is om de berekening van de terugvordering voor appellant inzichtelijk te maken. Appellant heeft op geen enkele wijze nader gespecificeerd wat onjuist is aan het bedrag.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat het hoger beroep tegen aangevallen uitspraak 3 evenmin slaagt, zodat die uitspraak moet worden bevestigd.

4.13.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door L.A. Kjellevold, in tegenwoordigheid van Y. Al-Qaq als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.

(getekend) L.A. Kjellevold

(getekend) Y. Al-Qaq