Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3510

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2020
Datum publicatie
07-01-2021
Zaaknummer
19/1179 WSF-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Proces-verbaal mondelinge uitspraak. Bezwaar tegen bericht van 15 maart 2018 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het geen wijziging heeft gebracht in de rechten en plichten van appellant, voor zover deze de resterende maanden van de aflosfase betreffen. De onjuiste berekening van de resterende aflosfase heeft de minister gecorrigeerd bij besluit van 24 januari 2019, waarbij het einde van de aflosfase is vastgesteld op 1 augustus 2020.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1179 WSF-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 januari 2019, 18/4994 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

Datum uitspraak: 28 december 2020

Zitting heeft: J.P.A. Boersma

Griffier: E.M. Welling

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Op 15 maart 2018 heeft de minister aan appellant meegedeeld dat hij met ingang van 1 april 2018 een bedrag van € 57,71 per maand moet aflossen op zijn studieschuld en dat de zogeheten aflosfase vanaf dat moment nog 34 maanden duurt.

2. Bij besluit van 26 juni 2018 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant tegen dit bericht niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het geen wijziging heeft gebracht in de rechten en plichten van appellant, voor zover deze de resterende maanden van de aflosfase betreffen. De onjuiste berekening van de resterende aflosfase heeft de minister gecorrigeerd bij besluit van 24 januari 2019, waarbij het einde van de aflosfase is vastgesteld op 1 augustus 2020.

3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het bericht van 15 maart 2018 geen rechtsgevolg heeft voor zover dat de duur van de aflosfase betreft, omdat daarvan al eerder aan appellant melding was gemaakt.

4. Appellant heeft, voor zover het gaat om de vraag of het bericht van 15 maart 2018 een besluit behelst met betrekking tot de resterende duur van de aflosfase, in hoger beroep geen nieuwe gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank op dat punt tot een ander oordeel had moeten komen. In de overwegingen van de aangevallen uitspraak is de rechtbank ingegaan op wat in beroep was aangevoerd. De Raad onderschrijft de overwegingen die tot het oordeel in de aangevallen uitspraak hebben geleid en neemt deze over.

5. Het besluit van 24 januari 2019, dat wel ziet op de duur van de aflosfase en het einde daarvan, en dat – anders dan appellant meent – niet een besluit is dat de rechtbank met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht bij haar beoordeling had behoren te betrekken, heeft appellant separaat bij de rechtbank aan de orde kunnen stellen en hij heeft dat ook gedaan. Bij uitspraak van 21 januari 2020 heeft de rechtbank op dat beroep beslist. Tegen die uitspraak is geen hoger beroep ingesteld, zodat in rechte is komen vast te staan dat de aflosfase eindigde op 1 augustus 2020. De discussie over die einddatum kan niet opnieuw worden gevoerd over de band van het besluit van 15 maart 2018 en de handhaving daarvan bij besluit van 26 juni 2018.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) E.M. Welling (getekend) J.P.A. Boersma