Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3506

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
12-01-2021
Zaaknummer
18/3562 PW-PV
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag AIO-aanvulling. Voldoende grondslag dat appellante en L een gezamenlijke huishouding voerden. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat L zorgbehoeftig was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 3562 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 22 december 2020

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 8 juni 2018, 17/381 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

Zitting heeft: F. Hoogendijk

Griffier: R. de Haas

Ter zitting zijn via videobellen verschenen appellante, bijgestaan door haar advocaat,
mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken en haar zwager, [naam zwager appellante]. Eveneens is via videobellen verschenen mr. M.F. Sturmans, als vertegenwoordiger van de Svb.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 525,-;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling van het door appellante in hoger beroep betaalde griffierecht van € 126,-.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

1. Appellante ontvangt sinds 24 juli 2016 een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet. Op 16 juni 2016 heeft appellante als aanvulling op dit pensioen bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO‑aanvulling) op grond van de Participatiewet (PW) aangevraagd. In haar woning had ook L, de broer van haar op 7 maart 2016 overleden echtgenoot, zijn hoofdverblijf. Bij besluit van 5 september 2016, gehandhaafd na bezwaar bij besluit van 5 januari 2017 (bestreden besluit), heeft de Svb deze aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante een gezamenlijke huishouding voerde met L en dat het gezamenlijke inkomen van appellante en L hoger was dan de voor hen geldende bijstandsnorm voor gehuwden. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. L is op 16 oktober 2020 overleden.

2. Appellante heeft aangevoerd dat zij in de te beoordelen periode, 16 juni 2016 tot en met
5 september 2016, niet met L een gezamenlijke huishouding voerde, als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de PW. Zij stelt dat niet is voldaan aan het hiervoor vereiste criterium van wederzijdse zorg. Subsidiair heeft appellante aangevoerd dat L zorgbehoeftig was. Volgens appellante is daarom de uitzondering op de gelijkstelling van ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren met gehuwden, zoals is neergelegd in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW, van toepassing.

3. De grond dat niet aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan slaagt niet.

3.1.

Anders dan appellante stelt, biedt de ingevulde Checklist gezamenlijke huishouding (checklist) voldoende grondslag voor de conclusie dat appellante en L zorg droegen voor elkaar doordat zij beiden een bijdrage leverden in de kosten van de huishouding. De checklist is op 1 december 2016 door appellante en L, in het bijzijn van de gemachtigde van appellante, ingevuld en als bijlage is opgenomen in de handhavingsrapportage van 5 december 2016 (rapportage). Uit deze stukken is op te maken dat appellante alle kosten van de door haar en L bewoonde woning betaalde, dat L appellante maandelijks een bedrag van € 800,- voor de kosten van het huishouden betaalde, dat appellante en L samen de gezamenlijke boodschappen betaalden en dat appellante gemachtigd was voor de bankrekening van L en zij zijn pinpas gebruikte om geld van zijn rekening te halen. Verder is hieruit op te maken dat als appellante te weinig geld op haar rekening had, L dit tekort aanvulde.

3.2.

Het betoog van appellante dat L moest worden gezien als kostganger treft geen doel. De omstandigheden wijzen op een mate van verbondenheid, verantwoordelijkheid en financiële zorg voor elkaar die de grenzen van een zuiver zakelijke kostgangersrelatie overschrijdt. Daarbij komt dat niet is gebleken van zakelijke afspraken over de te leveren diensten en de daarvoor te betalen prijs.

3.3.

Gelet op deze financiële verstrengeling tussen appellante en L is niet van betekenis dat appellante aan L – vanwege zijn cognitieve beperkingen – als mantelzorger zorg verleende, terwijl L geen enkele praktische zorg aan appellante verleende.

4. De beroepsgrond dat vanwege de zorgbehoefte van L de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW opgenomen uitzonderingsbepaling van toepassing was, ook al waren zij geen bloedverwanten in de tweede graad, slaagt ook niet.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 6 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4487) wordt als zorgbehoeftig beschouwd de persoon die door ziekte of een lichamelijke, verstandelijke of geestelijke stoornis in aanmerking komt voor een opname in een Wlz-inrichting of duurzaam is aangewezen op dagelijkse hulp bij alle of de meeste algemene dagelijkse levensverrichtingen, of op constant toezicht om mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen te voorkomen.

4.2.

Appellante heeft over de medische situatie van L en over zijn cognitieve vermogens geen objectieve en verifieerbare gegevens overgelegd. Appellante stelt dat L in verband met zijn cognitieve beperkingen al vele jaren bij haar en wijlen haar echtgenoot inwoonde en dat zij (mantel)zorg aan L verleende, hem niet alleen kon laten en dat L dagelijks continue hulp van haar nodig had bij de meeste dagelijkse levensverrichtingen. Ter onderbouwing daarvan heeft zij verwezen naar een e-mailbericht van 23 juli 2017 van haar zwager, [naam zwager appellante], dat hij tijdens de zitting heeft bevestigd. Dit bericht, waarin deze zwager de levensgeschiedenis en de toestand van L beschrijft, is echter geen voldoende onderbouwing voor de stellingen van appellante. Ook het gegeven dat L lange tijd in een beschutte werkomgeving heeft gewerkt en dat appellante, zoals zij ter zitting heeft gesteld, in verband met de zorg voor L een
OV-begeleiderskaart heeft gekregen, is niet toereikend om die te onderbouwen. Er is dan ook geen toereikende grond voor de conclusie dat L zorgbehoeftig was in de hier bedoelde zin.

5. De rechtbank heeft dus terecht vastgesteld dat appellante niet was uitgezonderd van de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW opgenomen gelijkstellingsbepaling en dat zij met L een gezamenlijke huishouding voerde, zodat zij als gehuwd moest worden aangemerkt. Niet in geschil is dat de Svb, daarvan uitgaande, vanwege de gezamenlijke inkomsten van appellante en L, de aanvraag om een AIO-aanvulling van appellante moest afwijzen.

6. Dit leidt tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt.

7. Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

7.1.

Voor de wijze van beoordeling van een verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt verwezen naar de uitspraak van

26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009. Hieruit volgt dat de redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet is overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. In beginsel is een vergoeding gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.

7.2.

In het voorliggende geval geldt dat vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift door de Svb op 4 oktober 2016 tot aan deze uitspraak, vier jaar en afgerond tweeëneenhalve maand zijn verstreken. In de zaak zelf noch in de opstelling van appellante zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden in de rechterlijke fase. Aan appellante zal daarom een schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, te betalen door de Staat.

8. Gelet op 7 tot en met 7.2 bestaat aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in deze schadeprocedure.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) R. de Haas (getekend) F. Hoogendijk

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.