Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3469

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
19/4941 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep niet-ontvankelijk. Geen procesbelang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/24
USZ 2021/98
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4941 WMO15

Datum uitspraak: 30 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 25 oktober 2019, 17/1642 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heeze en Leende (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens appellant heeft mr. A.P. van Knippenbergh, advocaat, gronden ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2020, door middel van beeldbellen. Namens appellant is mr. Van Knippenbergh verschenen. Het college is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant, geboren in 1953, heeft beperkingen als gevolg van vaat-, chirurgische en longaandoeningen. Hij heeft bij het college aanvragen ingediend voor ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

1.2.

Het college heeft bij besluit van 22 december 2016, gehandhaafd bij besluit van 2 mei 2017 (bestreden besluit 1) deze aanvragen afgewezen.

2.1.

De rechtbank heeft op 22 maart 2018 een tussenuitspraak gedaan.

2.2.

Het college heeft bij besluit van 16 oktober 2018 (bestreden besluit 2) bestreden besluit 1 ingetrokken en aan appellant de gewenste maatwerkvoorzieningen verstrekt.

2.3.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen bestreden besluit 1 niet‑ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe, voor zover van belang, overwogen dat het college met bestreden besluit 2 geheel aan de bezwaren van appellant is tegemoet gekomen, zodat hij geen rechtens te honoreren belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroepsgronden. De stelling van appellant dat hij belang heeft bij een inhoudelijk oordeel in verband met toekomstige aanvragen levert evenmin procesbelang op. De rechtbank heeft immers al in de tussenuitspraak een inhoudelijk oordeel gegeven over de beroepsgronden. Daar komt bij dat het gestelde belang van appellant een toekomstige omstandigheid is, waarvan niet bij voorbaat vast staat dat die zich opnieuw zal voordoen. Het college heeft namelijk te kennen gegeven dat het medisch gezien onmogelijk is een volledig beeld van de medische gesteldheid van appellant te krijgen. Toch heeft het college de gewenste maatwerkvoorzieningen verstrekt. Daarom staat niet vast dat een discussie tussen partijen over de medische noodzaak van toekomstige maatschappelijke ondersteuning zich in de toekomst zal herhalen.

3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij procesbelang heeft, omdat de rechtbank in de tussenuitspraak heeft overwogen dat het college medisch onderzoek moet laten verrichten. Het college heeft echter de gewenste maatwerkvoorzieningen verstrekt zonder het medisch onderzoek te verrichten. Dit betekent dat het college de tussenuitspraak niet heeft nageleefd. Daar komt bij dat appellant bij toekomstige aanvragen opnieuw medische informatie zal moeten verschaffen. Volgens appellant is in deze omstandigheden het procesbelang gelegen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals eerder overwogen in de uitspraak van 29 januari 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC3264 is eerst sprake van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een reeds verstreken periode, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode.

4.2.

De Raad is van oordeel dat appellant geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak. Het college heeft bestreden besluit 1 met bestreden besluit 2 ingetrokken. Bij bestreden besluit 2 heeft het college alsnog de door appellant gewenste maatwerkvoorzieningen integraal toegekend en daarmee heeft appellant gekregen wat hij met deze procedure kon bereiken. Dat appellant zich niet kan vinden in de wijze waarop het college hiertoe is gekomen en dat hij alsnog een medisch onderzoek wenst met het oog op vergelijkbare situaties in de toekomst, is in dit geval onvoldoende om procesbelang aan te nemen. Als appellant een nieuwe melding doet van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, zal het college een nieuwe beoordeling moeten verrichten op basis van de dan aan de orde zijnde situatie.

4.3.

Dit betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en J.P.A. Boersma en D. Hardonk‑Prins als leden, in tegenwoordigheid van R.H. Koopman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2020.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) R.H. Koopman