Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3465

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
19/5166 PW-PV
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:9017, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening en terugvordering. Kasstortingen en bijschrijvingen op bankrekening terecht als inkomen aangemerkt en op bijstand in mindering gebracht. Leningen zijn niet uitgezonderd van het middelenbegrip.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5166 PW-PV

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 november 2019, 19/867 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

Datum uitspraak: 15 december 2020

Zitting heeft: O.L.H.W.I. Korte

Griffier: T. Ali

Appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. R. Küçukünal, advocaat. W. Woning is opgetreden als tolk. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen.

Appellanten ontvangen sinds 5 februari 2013 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden. In het kader van een rechtmatigheidsonderzoek zijn in september 2018 de bankafschriften van appellanten onderzocht. Daarbij is geconstateerd dat op hun bankrekening in de periode van 1 maart 2017 tot en met 30 april 2018 (periode in geding) kasstortingen en bijschrijvingen hebben plaatsgevonden. Onder andere de dochter van appellanten heeft in verschillende maanden in die periode bedragen bijgeschreven op de bankrekening van appellanten variërend van € 5,- tot € 180,-.

Het college heeft bij besluiten van 24 en 25 september 2018, gehandhaafd bij besluit van 25 januari 2019, vervolgens de bijstand van appellanten over de periode in geding herzien en in verband daarmee een bedrag van € 3.868,64 van appellanten teruggevorderd. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door niet te melden dat zij in die periode kasstortingen en bijschrijvingen op hun bankrekening hebben ontvangen. De gestorte en bijgeschreven bedragen moeten volgens het college als inkomsten worden aangemerkt. Als gevolg daarvan hebben appellanten in de maanden waarin de betreffende kasstortingen of bijschrijvingen hebben plaatsgevonden ten onrechte of tot een te hoog bedrag bijstand ontvangen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellanten ongegrond verklaard.

Appellanten hebben in hoger beroep aangevoerd dat de bijschrijvingen die zij van hun dochter hebben ontvangen niet als inkomsten kunnen worden aangemerkt, omdat dit leningen waren om boodschappen van te doen en om een naheffing voor energie van te betalen. Over deze bedragen konden appellanten dan ook niet vrijelijk beschikken. Verder hebben appellanten vanaf oktober 2018 maandelijks een bedrag van € 100,- op deze leningen afgelost.

Dit betoog slaagt niet. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 14 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1705) moeten kasstortingen en bijschrijvingen op een bankrekening van een bijstandsontvanger in beginsel als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW worden beschouwd. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door betrokkene kunnen worden aangewend voor algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is voorts sprake van inkomsten als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van en de PW. De stelling dat sprake is van geleende bedragen die terug moeten worden betaald leidt in beginsel niet tot het oordeel dat geen sprake is van in aanmerking te nemen middelen. Daarvoor is allereerst van belang dat leningen niet uitgezonderd zijn van het middelenbegrip in artikel 31, tweede lid van de PW. Voorts worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandsontvangers – ongeacht in welke vorm die worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt – naar vaste rechtspraak (uitspraken van 22 januari 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BY9138, en van 23 juli 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1106) als inkomen van die bijstandsontvanger kan worden aangemerkt. Dat bij een aannemelijk gemaakte lening de schuldenlast toeneemt is niet van belang. Dat geldt ook voor de vraag of aan de lening een daadwerkelijke terugbetalingsverplichting is verbonden, dan wel de reden waarom de lening is aangegaan. Met betrekking tot degene die (zonder ander inkomen) in afwachting is van een besluit op zijn aanvraag om algemene bijstand of na blokkering of opschorting van de bijstand geen bijstand ontvangt, ter voorziening in de kosten van levensonderhoud is aangewezen op het aangaan van geldleningen, kan mogelijk anders worden geoordeeld. Die situatie doet zich hier echter niet voor.

Anders dan appellanten hebben bepleit bestaat in dit geval geen aanleiding om van voornoemde vaste rechtspraak af te wijken. Gelet op deze vaste rechtspraak moeten de bedragen die appellanten van hun dochter hebben ontvangen als inkomsten worden aangemerkt en is daarbij in dit geval niet van belang dat sprake is van leningen. Appellanten hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat zij niet vrijelijk over de door hun dochter bijgeschreven bedragen konden beschikken. Appellanten hebben de bijschrijvingen van hun dochter voor hun levensonderhoud kunnen aanwenden en dat feitelijk ook gedaan.

Appellanten hebben verder aangevoerd dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is, omdat zij de door het college gevraagde stukken tijdig hebben aangeleverd.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. Niet in geschil is dat appellanten niet onverwijld melding hebben gemaakt van de kasstortingen en bijschrijvingen op hun bankrekening. Daarmee hebben appellanten de op hun rustende inlichtingenverplichting geschonden. De omstandigheid dat appellanten achteraf desgevraagd hun bankafschriften binnen de daarvoor gestelde termijn bij het college hebben ingeleverd betekent niet dat van een schending van de inlichtingenverplichting geen sprake is. Appellanten hadden na ontvangst van de kasstortingen en bijschrijvingen daarvan bij het college onmiddellijk melding moeten maken.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Waarvan proces-verbaal.

De griffier Het lid van de enkelvoudige kamer

(getekend) T. Ali (getekend) O.L.H.W.I. Korte