Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3458

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
30-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
19/1054 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormen grotendeels een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de artsen van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en terecht geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat de in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om anders te oordelen. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 1054 ZW

Datum uitspraak: 30 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 februari 2019, 18/969 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Gürses, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2020. Namens appellant is mr. Gürses verschenen. Het Uwv heeft zich door middel van videobellen laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest horeca medewerker voor gemiddeld 38 uur per week. Op 1 oktober 2015 heeft hij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een ZW-beoordeling en in het kader van een aanvraag van appellant om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft een arts van het Uwv appellant op 6 juli 2017 op het spreekuur gezien. Deze arts heeft appellant belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 17 juli 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellant niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellant nog 75,20% van zijn zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 28 juli 2017 de ZW-uitkering van appellant met ingang van 29 augustus 2017 beëindigd, omdat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Bij besluit van eveneens 28 juli 2017 heeft het Uwv geweigerd om appellant met ingang van 28 september 2017 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellant de wachttijd van 104 weken niet heeft volgemaakt. De bezwaren van appellant tegen deze besluiten heeft het Uwv bij besluit van 8 januari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek van de verzekeringsartsen, gelet op de onderzoeksactiviteiten en rapporten, op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat geen aanleiding om het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voor onjuist te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat uit de brieven van de behandelend psychiater van 13 april 2018 en de huisarts van 16 april 2018 niet blijkt dat sprake is van ernstige problematiek. De brief van de psychiater ziet ook niet op de datum in geding. Op de datum in geding was de depressieve stoornis gedeeltelijk in remmissie. Appellant heeft niet met andere medische gegevens of anderszins aangetoond dat hij meer beperkt is dan is aangenomen in de FML van 17 juli 2017. De rechtbank heeft daarom geen reden gezien om een deskundige te benoemen. Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat de geselecteerde functies geschikt zijn voor appellant.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het onderzoek door het Uwv onzorgvuldig is geweest. Zijn beperkingen zijn onderschat. Appellant heeft dusdanig lichamelijke en psychische klachten dat hij geen duurzaam benutbare mogelijkheden heeft. Appellant is prikkelbaar, somber, vermoeid en tobberig. Als gevolg hiervan heeft appellant problemen om zich langdurig te concentreren en de aandacht te verdelen. Ook heeft hij moeite met het hanteren van zijn emoties. In hoger beroep heeft appellant nadere informatie van GGZ Centraal ingebracht. Als gevolg van de lichamelijke klachten ondervindt appellant beperkingen bij zwaar tillen en duwen. Verder dient volgens appellant een urenbeperking te worden aangenomen wegens zijn energetische en psychische beperkingen. Appellant is van mening dat de geselecteerde functies niet geschikt zijn, gelet op zijn beperkingen en omdat hij de Nederlandse taal niet beheerst. Hij spreekt amper Nederlands. Appellant heeft de Raad verzocht om een onafhankelijke medisch deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In geschil is of het Uwv terecht het ziekengeld van appellant met ingang van 28 juli 2017 heeft beëindigd en terecht heeft bepaald dat appellant niet de wettelijke wachttijd van 104 weken heeft volgemaakt, zodat hem met ingang van 28 september 2017 een uitkering op grond van de Wet WIA is geweigerd.

4.2.

De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormen grotendeels een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de artsen van het Uwv. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant afdoende besproken en terecht geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.3.

Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd dat de in hoger beroep overgelegde informatie geen aanleiding geeft om anders te oordelen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat in die informatie, die overigens dateert van ver na de datum in geding, wordt bevestigd wat al bekend is, namelijk dat sprake is van een depressieve stoornis, die gedeeltelijk in remissie is. Met alle medische informatie is reeds in voldoende mate rekening gehouden bij het vaststellen van de beperkingen op de FML van 17 juli 2017. Op die FML zijn immers in de rubrieken persoonlijk en sociaal functioneren en dynamsiche handelingen meerdere beperkingen vastgesteld. Ook is een urenbeperking van 30 uur per week vastgesteld. Omdat twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling ontbreekt, bestaat geen aanleiding over te gaan tot benoeming van een deskundige.

4.4.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn voor appellant. Appellant heeft aangevoerd dat de functies niet geschikt zijn, omdat hij amper Nederlands spreekt. In artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit is, voor zover hier van belang, bepaald dat onder bekwaamheden die algemeen gebruikelijk zijn en binnen zes maanden kunnen worden verworven ten minste wordt verstaan mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. In de Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden van 15 september 2004 (Stcrt. 2004, 182) is vastgelegd dat onder mondelinge beheersing van de Nederlandse taal als bedoeld in artikel 9, onderdeel a, van het Schattingsbesluit wordt verstaan: het verstaan en spreken van de Nederlandse taal voor zover dit nodig is bij functies waarvoor geen opleiding dan wel een opleidingsniveau tot afgerond basisonderwijs vereist is. Blijkens de toelichting is dit het laagste opleidingsniveau in het CBBS. De functies van medewerker kleding en textielreiniging met SBC-code 111161 en de functie van medewerker tuinbouw met SBC-code 111010 hebben opleidingsniveau 1. Ten aanzien van deze functies mag er dus vanuit worden gegaan dat appellant de bekwaamheid van het verstaan en spreken van de Nederlandse taal binnen zes maanden kan verwerven. Voor deze functies volstaat de beheersing van Nederlands op een eenvoudig niveau. Er wordt veel met pictogrammen en codes gewerkt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 29 juli 2020 inzichtelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een medische aandoening bij appellant die het leren van de Nederlandse taal zou beletten.

4.5.

De functie van productiemedewerker industrie met SBC-code 111180 heeft opleidingsniveau 2. Het opleidingsniveau van appellant is terecht op 2 vastgesteld. Appellant heeft basisonderwijs afgerond en jarenlange werkervaring. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft verder in zijn rapport van 26 mei 2020 toegelicht dat uit de stukken in het dossier blijkt dat appellant redelijk Nederlands spreekt. Appellant is in 1977 naar Nederland gekomen, heeft jarenlang in Nederland gewerkt en heeft op het door hem ondertekende vragenformulier re-integratie van 15 oktober 2015 bij talenkennis vermeld dat hij Turks en Nederlands spreekt. Ook uit diverse medische en arbeidsdeskundige onderzoeken blijkt dat appellant de Nederlandse taal matig tot redelijk beheerst. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is er daarom terecht vanuit gegaan dat appellant de Nederlandse taal ten minste op eenvoudig niveau beheerst. In de functie van productiemedewerker industrie wordt voor zowel het uitoefenen van de functie als het volgen van de interne opleiding verondersteld dat men op elementair niveau Nederlands kan lezen en schrijven. De interne opleiding is vooral handvaardig gericht. De schriftelijke instructies zijn eenvoudig van aard. Mondeling vindt, indien nodig, een toelichting plaats. De door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep gegeven motivering voor de geschiktheid van de geselecteerde functie kan worden gevolgd. Op grond van vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 13 juli 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX1509) kan iemand met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal doorgaans in staat worden geacht om eenvoudige productiematige functies te vervullen. Uit de functiebeschrijving komt naar voren dat geen groot beroep wordt gedaan op de beheersing van de Nederlandse taal in woord en/of geschrift. Het betreft een eenvoudige en routinematige functie, waarvan de instructies ook mondeling gegeven kunnen worden.

4.6.

De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.E. Fortuin, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2020.

(getekend) M.E. Fortuin

(getekend) A.M.M. Chevalier