Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3448

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
04-01-2021
Zaaknummer
18/6305 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De aanvraag van appellante van 19 mei 2017 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Het Uwv heeft de op 19 mei 2017 ontvangen aanvraag om een Wajong-uitkering – anders dan bij de aanvragen in 2011 en 2013 – in bezwaar beoordeeld aan de hand van de criteria van de AAW en de afwijzing van die aanvraag bij het bestreden besluit gehandhaafd. Daarmee heeft het Uwv de aanvraag van 19 mei 2017 beoordeeld als ware het een eerste aanvraag. De Raad zal de afwijzing van de aanvraag daarom aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen als ware dit het eerste besluit op die aanvraag. In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. De rechtbank heeft deze gronden en argumenten afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat zij niet slagen. Uit de in beroep ingediende informatie uit de jaren 1988 tot 1996 komt geen wezenlijk ander beeld naar voren dan de verzekeringsartsen van het Uwv bij hun medische beoordelingen voor ogen hadden. Appellante heeft in hoger beroep geen (medische) stukken ingediend waaruit naar voren komt dat het Uwv haar belastbaarheid op het achttiende jaar heeft onderschat. Evenmin heeft appellante gronden naar voren gebracht die zien op het standpunt van het Uwv dat de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid in haar geval toepassing mist. Nu er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv is er geen aanleiding een deskundige in te schakelen, zoals door appellante verzocht. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6305 WAJONG

Datum uitspraak: 31 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

5 december 2018, HAA 18/1912 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nog een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2020. Appellante is samen met haar partner [naam partner] verschenen, bijgestaan door mr. Hopman. Het Uwv heeft

zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Roele.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, geboren op [geboortedatum] 1978, heeft op 21 juni 2011 een aanvraag ingediend

voor arbeids- en inkomensondersteuning op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wajong). Bij die aanvraag is medische informatie gevoegd, waarin is vermeld dat bij appellante sprake is van een depressieve stoornis en posttraumatische

stress stoornis (chronisch), verband houdend met een zeer belaste jeugd. Deze aanvraag is na een medisch en arbeidskundig onderzoek bij besluit van 3 oktober 2011 afgewezen omdat appellante na het verstrijken van de wachttijd meer dan 75% van het minimumloon kon verdienen.

1.2.

In september 2013 heeft appellante wederom een Wajong-aanvraag ingediend. Daarbij is verwezen naar een psychodiagnostisch onderzoek van 24 juni 2013 waarin bij appellante de diagnose ASS is gesteld. Deze aanvraag is bij besluit van 11 oktober 2013 afgewezen omdat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat de destijds op

3 oktober 2011 genomen beslissing onjuist zou zijn. Het bezwaar hiertegen is ongegrond verklaard.

1.3.

Op 19 mei 2017 heeft appellante een aanvraag beoordeling arbeidsvermogen ingediend met daarbij gevoegd het eerder ingezonden psychodiagnostisch onderzoek van 24 juni 2013. Een verzekeringsarts heeft informatie bij de huisarts opgevraagd en na medisch onderzoek geconcludeerd dat geen nieuwe objectiveerbare informatie beschikbaar is gekomen om de in 2011 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen. Bij besluit van

3 augustus 2017 heeft het Uwv geweigerd om terug te komen van het besluit van
3 oktober 2011 omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn die ertoe leiden dat dat besluit onjuist zou zijn.

1.4.

Bij besluit van 22 maart 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar, gericht tegen het besluit van 3 augustus 2017, ongegrond verklaard. Dit besluit berust op een onderzoek van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen reden gezien om meer of andere beperkingen aan te nemen dan destijds in 2011 is gebeurd. Ook ziet hij in de periode van vijf jaar na het achttiende jaar geen toename van de beperkingen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft na een nieuwe functieselectie op basis van de destijds geldende criteria van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) geconcludeerd dat appellante op haar zeventiende en achttiende jaar minder dan 25% arbeidsongeschikt is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat er geen aanleiding is om te twijfelen aan de juistheid van de in 2011 opgestelde FML en het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat de in 2013 gestelde diagnose ASS niet noodzaakt tot het aannemen van aanvullende beperkingen. Vanwege het ontbreken van documentatie aangaande lichamelijke klachten die voor het zeventiende levensjaar speelden is door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding gezien beperkingen aan te nemen op fysiek gebied. Daarbij is het onwaarschijnlijk dat op basis van de door appellante genoemde long/eczeemklachten arbeidsongeschiktheid in het kader van de AAW of Wajong aan de orde zou zijn. De rechtbank heeft geoordeeld dat er onvoldoende medische informatie beschikbaar is die betrekking heeft op de periode rond het zeventiende of achttiende levensjaar en de vijf jaar daarna, op grond waarvan moet worden aangenomen dat appellante meer beperkt is dan in de in 2011 opgestelde FML is aangenomen. De rechtbank heeft daarbij opgemerkt dat de bewijslast bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager ligt.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat de door haar in beroep ingebrachte informatie uit haar jeugd en rond haar achttiende verjaardag op zijn minst ernstige twijfel doet rijzen aan de juistheid van het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. Gelet op de zeer belaste voorgeschiedenis van appellante, zoals blijkt uit de stukken van de Raad voor Kinderbescherming, is alleszins aannemelijk dat sprake is van een scheefgroei in de persoonlijkheidsontwikkeling die in de kindertijd is begonnen. Appellante heeft verzocht om een onderzoek door een onafhankelijke deskundige.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De aanvraag van appellante van 19 mei 2017 is een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Bij uitspraak van 20 december 2016 (ECLI:NL:CRVB:2016:4872) heeft de Raad zijn rechtspraak over de toetsing door de bestuursrechter van besluiten op een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit gewijzigd. In het voorliggende geval leidt dit tot het volgende.

4.2.

Het Uwv heeft de op 19 mei 2017 ontvangen aanvraag om een Wajong-uitkering – anders dan bij de aanvragen in 2011 en 2013 – in bezwaar beoordeeld aan de hand van de criteria van de AAW en de afwijzing van die aanvraag bij het bestreden besluit gehandhaafd. Daarmee heeft het Uwv de aanvraag van 19 mei 2017 beoordeeld als ware het een eerste aanvraag. De Raad zal de afwijzing van de aanvraag daarom aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen als ware dit het eerste besluit op die aanvraag.

4.3.

In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. De rechtbank heeft deze gronden en argumenten afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat zij niet slagen. Uit de in beroep ingediende informatie uit de jaren 1988 tot 1996 komt geen wezenlijk ander beeld naar voren dan de verzekeringsartsen van het Uwv bij hun medische beoordelingen voor ogen hadden. Appellante heeft in hoger beroep geen (medische) stukken ingediend waaruit naar voren komt dat het Uwv haar belastbaarheid op het achttiende jaar heeft onderschat. Evenmin heeft appellante gronden naar voren gebracht die zien op het standpunt van het Uwv dat de regeling voor toegenomen arbeidsongeschiktheid in haar geval toepassing mist.

4.4.

Nu er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling door de verzekeringsartsen van het Uwv is er geen aanleiding een deskundige in te schakelen, zoals door appellante verzocht.

4.5.

Uit 4.2, 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en F.M. Rijnbeek en W.R. van der Velde als leden, in tegenwoordigheid van H.S. Huisman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) H.S. Huisman