Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
24-02-2020
Zaaknummer
17/7661 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Niet gemelde bankrekening met saldo, afkoop spaarfonds, auto-transacties en kasstortingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 7661 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 oktober 2017, 17/2429 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] (appellant) en [appellante] (appellante) beiden te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (college)

Datum uitspraak: 18 februari 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. Y. Taghi, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 januari 2020. Appellanten zijn niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.S. Teunissen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen sinds 9 juli 2010 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW), naar de norm voor gehuwden.

1.2.

In juli 2016 heeft een consulent werkzaam bij de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Stichtse Vecht (consulent) een periodiek heronderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de bijstand van appellanten. In dat kader heeft de consulent appellanten verzocht om stukken in te leveren, waaronder een heronderzoeksformulier en bankafschriften. De consulent heeft ook informatie opgevraagd bij Suwinet en de Dienst Wegverkeer (RDW). De consulent heeft bij zijn onderzoek een aantal bijzonderheden aangetroffen. Op naam van appellant staat een bij het college onbekende bankrekening eindigend op de cijfers [cijfers] . Ook hebben appellanten zes auto’s op hun naam (gehad). Verder hebben zij een spaarfonds afgekocht dat aan hen op 5 juni 2014 is uitbetaald tot een bedrag van € 5.490,72 terwijl er in de vermogensvaststelling bij aanvang van de bijstand op 9 juli 2010 is uitgegaan van een (afkoop)waarde van dit fonds van € 1.771,-. Verder zijn diverse kasstortingen van in totaal € 22.100,- op bankrekeningen van appellant en appellante gedaan. Naar aanleiding hiervan heeft de consulent om nadere stukken gevraagd, waaronder bankafschriften en gegevens en verklaringen over de financiering van de auto’s. Voorts hebben op 21 september 2016 en 26 oktober 2016 gesprekken met appellanten plaatsgevonden. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 29 november 2016.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van
6 december 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 3 mei 2017 (bestreden besluit), de bijstand van appellanten vanaf 1 december 2013 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 december 2013 tot 1 december 2016 tot een bedrag van € 56.885,47 van appellanten terug te vorderen. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden. Zij hebben geen melding gedaan van de bankrekening eindigend op [cijfers] , de zes auto’s die op naam van appellanten staan of stonden, het afkopen en laten uitbetalen van het spaarfonds en de kasstortingen. Om die reden is de financiële situatie van appellanten onduidelijk. Het college kan het recht op bijstand over de periode vanaf 1 december 2013 niet vaststellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - samengevat weergegeven - het volgende overwogen. Het gegeven dat het kentekenbewijs van een auto op naam van een betrokkene staat, rechtvaardigt de vooronderstelling dat deze auto een bestanddeel vormt van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkenen om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is. Appellanten zijn daar niet in geslaagd. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de overgelegde verklaringen over de auto’s niet worden ondersteund door objectieve en verifieerbare bewijsstukken. Appellanten hebben de op hen rustende inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te doen aan het college van de eigendom van de auto’s.
Over de kasstortingen van in totaal € 22.100,- heeft de rechtbank overwogen dat appellanten de herkomst daarvan niet duidelijk hebben gemaakt. Niet is gebleken dat zij niet over de gestorte bedragen konden beschikken. Appellanten hebben ook de inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de kasstortingen. Dit geldt eveneens voor het niet melden van de bankrekening eindigend op cijfers [cijfers] van appellant en het afkopen en laten uitbetalen van het spaarfonds. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het hierbij om financiële gegevens gaat waarvan duidelijk moet zijn geweest dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Dat bij het college ten tijde van de aanvraag is gemeld dat er een spaarfonds was, maakt dit niet anders. De waarde van het fonds is sinds de aanvraag om bijstand toegenomen. Ook als de toename binnen de vermogensgrens blijft, moet het afkopen en laten uitbetalen van het spaarfonds worden gemeld. Het is aan het college om te beoordelen of dat van invloed is op het recht op bijstand, mede gelet op mogelijk andere vermogensbestanddelen.

Appellanten zijn er niet geslaagd aannemelijk te maken dat zij recht op volledige of aanvullende bijstand zouden hebben gehad indien zij wel aan de inlichtingenverplichting zouden hebben voldaan, zodat de schending van de inlichtingenverplichting een rechtsgrond opleverde voor intrekking van de bijstand. Het college was gehouden de bijstand op grond van artikel 54, derde lid, van de PW in te trekken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW terug te vorderen.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij hebben aangevoerd dat zij de inlichtingenverplichting niet hebben geschonden en dat zij zo transparant mogelijk zijn geweest.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 december 2013 (datum intrekking) tot en met 6 december 2016 (datum intrekkingsbesluit).

4.2.

De gronden die appellanten in hoger beroep hebben aangevoerd zijn een herhaling van wat zij in beroep hebben aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. Appellanten hebben geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde weerlegging van de betrokken gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig is. De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen, zoals onder 2 weergegeven, waarop dat oordeel rust.

4.3.

Uit 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.L. Boxum, in tegenwoordigheid van J.B. Beerens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2020.

(getekend) J.L. Boxum

(getekend) J.B. Beerens