Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3429

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
19/2146 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:2544, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Zorgvuldig medisch onderzoek. Voldoende medische grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2146 ZW

Datum uitspraak: 29 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2019, 18/2001 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante 1] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G.H. Amstelveen, advocaat, hoger beroep ingesteld en aanvullende stukken ingediend.

Het Uwv heeft een verweerschrift en een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2020. De zitting heeft plaatsgevonden door middel van videobellen. Daaraan hebben deelgenomen appellante, bijgestaan door mr. Amstelveen en J.C. van Beek namens het Uwv.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante was werkzaam als tandartsassistente gedurende 24 uur per week en als schoonmaakster via een uitzendbureau voor zes uur per week, toen zij zich op 24 december 2015 ziek meldde met een combinatie van somatische en psychische klachten. Haar dienstverband als tandartsassistente is op 28 december 2015 geëindigd. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Na afloop van haar uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg heeft appellante zich op 14 september 2017 arbeidsongeschikt gemeld. Op 9 oktober 2017 heeft appellante het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellante per 9 november 2017 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid van tandartsassistente en schoonmaakster. Nadat appellante te kennen had gegeven dat herstel per 9 november 2017 niet aan de orde was, is zij op 6 november 2017 gezien door een andere primaire arts. Ook deze arts heeft appellante per 9 november 2017 geschikt geacht voor haar eigen functies. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 6 november 2017 vastgesteld dat appellante per 9 november 2017 geen recht meer heeft op ziekengeld. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 februari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 21 februari 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op dossierstudie, anamnese, eigen onderzoek door de verzekeringsarts, het gestelde in het bezwaarschrift en de hoorzitting in bezwaar van 22 december 2017, alsmede op medische informatie afkomstig van de behandelend huisarts en specialisten van appellante. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek daarmee op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft in hetgeen appellante in beroep naar voren heeft gebracht, geen aanknopingspunten gevonden om aan de beoordeling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, die appellante ter hoorzitting van 22 december 2017 heeft gezien, na onderzoek en na kennisname van de ter hoorzitting door appellante overgelegde medische informatie van de behandelend huisarts, in zijn rapport van 21 februari 2018 de bevindingen van de primaire artsen heeft onderschreven. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het aanvullend rapport van 13 juni 2018, naar aanleiding van de beroepsgronden van appellante, inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd heeft toegelicht waarom hij geen aanleiding ziet om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft verklaard overleg te hebben gehad met de verzekeringsarts bezwaar en beroep over de brief van de GZ-psycholoog van 4 maart 2019. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarbij te kennen gegeven dat het een zeer summiere brief betreft, waarin geen onderbouwing wordt gegeven voor de door de GZ-psycholoog getrokken conclusies, en dat er geen aanleiding bestaat om terug te komen van zijn eerder ingenomen standpunt. De rechtbank heeft dan ook geoordeeld dat het Uwv appellante terecht met ingang van 9 november 2017 weer in staat heeft geacht tot het verrichten van het werk in haar oude functies.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat het onderzoek niet zorgvuldig is uitgevoerd en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in onvoldoende mate rekening heeft gehouden met haar medische beperkingen. In dat kader heeft appellante gesteld dat, naast een depressieve stoornis, ook sprake is van persoonlijkheidsproblematiek die invloed heeft op haar dagelijks functioneren, alsmede van een posttraumatische stressstoornis (PTSS). Bovendien zijn de gevolgen van de endometriose onvoldoende bij de beoordeling betrokken en is appellante erg vermoeid door de diabetes mellitus, als gevolg waarvan zij niet 30 uur per week kan werken. Verder is sprake van rugklachten en concentratieproblemen. Ter onderbouwing van het standpunt dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat, heeft appellante informatie overgelegd van 21 september 2020 van GZ-psycholoog M. Berkhof en informatie van 22 september 2020 van de internist-endocrinoloog N.D. Niemeijer.

3.2.

Het Uwv heeft, mede onder verwijzing naar een rapport van 25 november 2020 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek door het Uwv zorgvuldig is geweest en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 juni 2018 inzichtelijk en overtuigend heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding ziet om van het standpunt van de primaire artsen af te wijken. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat de desbetreffende gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.

4.3.

In een rapport van 25 november 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep te kennen gegeven dat de door appellante in hoger beroep overgelegde informatie van 21 september 2020 van de GZ-psycholoog en van 22 september 2020 van de internist‑endocrinoloog, geen aanleiding geeft om het eerder ingenomen standpunt te wijzigen.

4.3.1.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt dat in de brief van 22 september 2020 van de internist-endocrionoloog wordt aangegeven, dat in oktober/november 2017 sprake was van schommelingen in haar bloedsuiker waarvoor de insuline dosering werd aangepast. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dit opmerkelijk geacht, aangezien dezelfde internist in een brief van 8 december 2017 heeft vermeld dat sprake is van een goed gereguleerde diabetes mellitus type 1, waarbij hij zich baseert op het laatste bezoek van patiënte in oktober 2017. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt uit de meest recente brief niet duidelijk hoe de dosering werd aangepast en per wanneer. Verder wordt in de informatie van 22 september 2020 vermeld dat appellante in deze periode aan de internist te kennen heeft gegeven hypoglycemieën te hebben. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft erop gewezen dat appellante tijdens de hoorzitting van 22 december 2017 heeft verteld hypoglycemieën te voelen aankomen, waarop ze dan wat eet, en dat zij heeft verteld dan niet haar glucose te meten. Dat appellante te kennen heeft gegeven dat hypoglycemieën voorkwamen was bekend en is meegewogen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4.3.2.

Naar aanleiding van de informatie van 21 september 2020 van de GZ-psycholoog heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgesteld dat deze brief wat uitgebreider is dan de brief van 4 maart 2019, omdat nu ook de klachten passend bij een depressieve stoornis worden opgeschreven. Dat sprake was van depressieve klachten was bekend en is ook al meegewogen, aldus de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Naar aanleiding van de stelling dat ook sprake was van klachten passend bij PTSS, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep opgemerkt dat niet blijkt wat de ernst was van de klachten en ook niet op welk moment de psycholoog appellante voor het eerst zag. In dat kader heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat appellante tijdens de hoorzitting in december 2017 te kennen gaf dat zij in februari 2018 een intake zou krijgen. Naar aanleiding van de stelling van de GZ-psycholoog dat het aannemelijk is dat deze klachten eerder ook al bestonden, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat door de huisarts in december 2017 nog niet over klachten passend bij PTSS wordt gesproken. Verder is tijdens de primaire spreekuren noch in het bezwaarschrift van 14 december 2017 naar voren gekomen dat sprake is van bijvoorbeeld herbelevingen, nachtmerries of andere klachten passend bij PTSS. Dat op de datum in geding van 9 november 2017 ook al sprake was van klachten passend bij PTSS, is daarmee volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet aannemelijk.

4.3.3.

De in het rapport van 25 november 2020 toereikend gemotiveerde conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen aanleiding is om naar aanleiding van de ingebrachte informatie van de GZ-psycholoog en de internist/endocrionoloog het standpunt te wijzigen, wordt onderschreven.

4.4.

Appellante heeft herhaald dat de gevolgen van de endometriose (door hevig bloedverlies en ernstige buikpijn) op haar lichamelijke gesteldheid niet voldoende zijn betrokken bij de beoordeling. Uit de rapporten van 16 oktober 2017, 17 november 2017 en 21 februari 2018 blijkt dat de artsen van het Uwv bekend waren met de aanwezige endometriose en de daaruit voortvloeiende klachten. Uit het rapport van 21 februari 2018 blijkt expliciet dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de hoogte was van het feit dat appellante op de datum in geding, bij het gebruik van implanon, last had van lange, hevige en pijnlijke menstruaties. Appellante heeft de stelling dat zij (mede) door de beperkingen als gevolg van de endometriose niet geschikt was voor het werk in haar oude functies, niet onderbouwd met medische informatie. Ter zitting van de Raad heeft zij ook erkend dat zij niet over dergelijke informatie beschikt, omdat zij rond de datum in geding voor de endometriose enkel bij de huisarts onder behandeling was. Gelet op wat hiervoor is overwogen, zijn er dan ook geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Uwv bij de conclusie dat appellante per 9 november 2017 geschikt was voor haar eigen arbeid onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de endometriose.

4.5.

De overwegingen 4.2 tot en met 4.4 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Hieruit volgt dat er geen aanleiding is voor een veroordeling tot vergoeding van schade en dat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van A.L. Abdoellakhan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) A.L. Abdoellakhan