Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3419

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
21-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
18/4884 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvragen voor maatwerkvoorzieningen in de vorm van individuele begeleiding en huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 terecht afgewezen. Voldoende medisch onderzoek en medische grondslag. Met de verstrekte maatwerkvoorziening voor een keukenaanpassing is een passende bijdrage verstrekt. De Raad voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat met de verstrekte maatwerkvoorziening voor de keukenaanpassing geen plaats is voor een vaatwasser niet tot een ander oordeel leidt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vaat handmatig gedaan kan worden. De afwijzing van de voorziening voor de voordeur is terecht gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4884 WMO15, 18/4885 WMO15, 18/4886 WMO15, 19/1716 WMO15

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Limburg van 25 juli 2018, 18/14 (aangevallen uitspraak 1), 17/4205 (aangevallen uitspraak 2) en 17/1087 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Peel en Maas (college)

Datum uitspraak: 21 december 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.P. van Mulken, advocaat, hoger beroepen ingesteld.

Ter uitvoering van aangevallen uitspraak 2 heeft het college op 8 oktober 2018 een nader besluit genomen.

Op 19 december 2018 heeft appellant beroep ingesteld tegen dit besluit. Het beroepschrift is door de rechtbank doorgezonden naar de Raad. Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2020. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H.M. Verstraten, advocaat en opvolgend gemachtigde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door B.M. Verhaag en I.J.T. Renders.

OVERWEGINGEN

1. Voor de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraken. De Raad volstaat met het volgende.

1.1.

Appellant, geboren in 1972, heeft onder meer als gevolg van een beenprothese links verschillende lichamelijke klachten. Na de inwerkingtreding van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) heeft appellant zich tot het college gewend en aanvragen gedaan voor verschillende maatwerkvoorzieningen.

1.2.

Bij besluit van 2 juni 2015, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 22 december 2015, heeft het college de aanvraag om een maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding afgewezen. Aan dit besluit liggen een rapport van 20 maart 2015 van een ergotherapeut en een rapport van 18 mei 2015 van Scio Consult (Scio) ten grondslag. Bij besluit van 6 november 2015, vervangen door besluit van 17 december 2015, heeft het college appellant een maatwerkvoorziening voor individuele begeleiding verstrekt voor de periode van 13 juli 2015 tot en met 8 februari 2016 voor negen uur per week. Bij beslissing op bezwaar van 11 april 2016 heeft het college deze maatwerkvoorziening gehandhaafd.

1.3.

Bij besluit van 27 oktober 2015, gehandhaafd bij beslissing op bezwaar van 29 maart 2016, heeft het college een maatwerkvoorziening bestaande uit een financiële tegemoetkoming voor een slaapkamer en aanpassing van de badkamer op de begane grond verstrekt.

1.4.

Bij uitspraak van 1 juni 2017 heeft de rechtbank de beslissingen op bezwaar van 22 december 2015, 29 maart 2016 en 11 april 2016 vernietigd en het college opgedragen nieuwe beslissingen op de bezwaren van appellant te nemen. De rechtbank heeft daartoe, kort samengevat, overwogen dat het college onvoldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat de beslissingen op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd.

1.5.

Bij besluit van 11 mei 2017 heeft het college, voor zover hier van belang, onder verwijzing naar een ergotherapeutisch advies van 6 februari 2017, een maatwerkvoorziening bestaande uit een keukenaanpassing met daarbij een onderrijdbaar keukenblad verstrekt. Het verzoek om een voorziening voor de voordeur bestaande uit een automatische ontgrendeling en een video-intercom is afgewezen.

1.6.

Ter uitvoering van de onder 1.4 genoemde uitspraak heeft het college een onderzoek laten verrichten door Treve Advies (Treve). Treve heeft op 20 oktober 2017 een medisch advies uitgebracht.

1.7.

Bij besluit van 13 november 2017 (bestreden besluit 1) heeft het college het bezwaar tegen het niet verstrekken van een keukenaanpassing in het besluit van 27 oktober 2015 gegrond verklaard en het bezwaar tegen het besluit van 11 mei 2017 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college, voor zover van belang, ten grondslag gelegd dat met de verstrekte maatwerkvoorziening voor een keukenaanpassing een passende bijdrage is verstrekt. De afwijzing van de voorziening voor de voordeur is gehandhaafd, omdat deze volgens het college niet noodzakelijk is.

1.8.

Bij besluit van 20 november 2017 (bestreden besluit 2) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 2 juni 2015 en 17 december 2015 ongegrond verklaard. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat uit het onderzoek van Treve en een rapport van de consulent van 3 november 2011 geen noodzaak is gebleken voor individuele begeleiding of huishoudelijke ondersteuning.

1.9.

Intussen had het college bij afzonderlijke besluiten van 19 september 2016, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 6 maart 2017 (bestreden besluit 3), andere aanvragen van appellant voor maatwerkvoorzieningen in de vorm van individuele begeleiding en huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wmo 2015 ook afgewezen.

2.1.

Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe, samengevat, overwogen dat niet is gebleken dat het medisch advies van Treve onjuiste feiten bevat wat betreft de medische situatie van appellant. Ook anderszins heeft de rechtbank geen aanleiding gezien te twijfelen aan de juistheid van de in dat advies verwoorde conclusies. Appellant heeft geen medische stukken ingediend waaruit iets anders blijkt en de arts van Treve heeft voldoende onderbouwd waarom het eerdere advies van Scio van 18 mei 2015 niet gevolgd wordt. Het college heeft het advies van Treve dan ook aan bestreden besluit 2 ten grondslag kunnen leggen. Uit dit advies en het rapport van de consulent van 3 november 2017 volgt dat appellant op eigen kracht, met gebruikelijke hulp door zijn echtgenote en kinderen en met de reeds verstrekte (en deels nog te realiseren) maatwerkvoorzieningen alle huishoudelijke taken inclusief de zorg voor de kinderen kan uitvoeren en geen individuele begeleiding nodig is.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak 3 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen bestreden besluit 3 eveneens ongegrond verklaard. Het college heeft het bestreden besluit ten onrechte gebaseerd op een ergotherapeutisch advies van 6 februari 2017, maar dit gebrek kan met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden gepasseerd, gelet op het door het college overgelegde medisch advies van Treve. De overwegingen van de rechtbank komen verder in grote lijnen overeen met de overwegingen in aangevallen uitspraak 1.

2.3.

Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd, voor zover het ziet op het niet verstrekken van een voorziening voor de voordeur. Het bestreden besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college uit het medisch advies van Treve niet heeft kunnen concluderen dat appellant in staat is om 10 meter zelfstandig te lopen en/of dat hij gelet op de woonsituatie zelfstandig naar de voordeur kan lopen en deze kan openen. Het onderzoek van Treve is daar niet op gericht geweest. Daarnaast dient het college er rekening mee te houden dat aan appellant een elektrische rolstoel is verstrekt. De rechtbank heeft geen ruimte gezien om tot finale geschilbeslechting te komen omdat nader onderzoek dient te worden verricht naar de medische situatie van appellant, de situatie ter plekke van de voordeur en de bereikbaarheid van de voordeur voor appellant. De rechtbank heeft het college daarom opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit te nemen over de gevraagde voorziening voor de voordeur. De rechtbank heeft bestreden besluit 1 in stand gelaten, voor zover dat ziet op de keukenaanpassing. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat met het ergotherapeutisch advies van 6 februari 2017 voldoende inzichtelijk is dat met de verstrekte maatwerkvoorziening voor een keukenaanpassing de beperkingen van appellant bij het gebruik van de keuken voldoende gecompenseerd zijn. Daarbij heeft het college rekening kunnen houden met de bij besluit van 11 mei 2017 verstrekte elektrische, in hoogte verstelbare, rolstoel, waartegen appellant geen bezwaar heeft gemaakt. Dat appellant zelfstandig heeft besloten deze rolstoel terug te geven is zijn eigen keuze geweest en dient hier los van te staan.

3. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraken 1 en 3 heeft appellant, kort samengevat, aangevoerd dat het onderzoek dat ten grondslag ligt aan bestreden besluiten 2 en 3 onzorgvuldig en onvolledig is geweest en dat de arts van Treve is uitgegaan van onjuistheden. De bevindingen van de arts van Treve staan volgens appellant haaks op andere rapporten. Appellant verzoekt de Raad een deskundige in te schakelen. Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet op alle aangevoerde gronden is ingegaan. Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de keukenaanpassing. Kort samengevat heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat het onderzoek hiernaar onzorgvuldig geweest en dat de verstrekte keukenaanpassing niet adequaat is. Met de vaatwasser is geen rekening gehouden en een elektrisch verstelbare keuken is geschikter.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Zaken 18/4886 en 18/4884, aangevallen uitspraken 1 en 3, individuele begeleiding en ondersteuning bij het huishouden

4.1.

Zoals ter zitting is meegedeeld, is het geschil over de individuele begeleiding en ondersteuning bij het huishouden beperkt tot de periode na 8 februari 2016.

4.2.

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank in de aangevallen uitspraken 2 en 3 tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft de beroepsgronden in de aangevallen uitspraken afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van de bestreden besluiten 2 en 3.

4.3.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.

4.4.

De Raad voegt daaraan toe dat het betoog van appellant dat de rechtbank ten onrechte niet alle beroepsgronden heeft behandeld, niet slaagt. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 8 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:20017:AZ8746) hoeft de bestuursrechter niet op alle aangevoerde gronden in te gaan, maar kan hij zich beperken tot de kern daarvan. Ook de Raad beperkt zich tot de kern van de gronden die appellant naar voren heeft gebracht. In wat appellant heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat het onderzoek door het college niet heeft voldaan aan de eisen, zoals die zijn vermeld in de uitspraak van de Raad van 21 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:819. Anders dan appellant stelt heeft de arts van Treve de situatie van de echtgenote van appellant voldoende in zijn beoordeling betrokken. Uit het advies van 20 oktober 2017 blijkt dat voor haar geen fysieke of mentale beperkingen zijn genoemd en dat tijdens het huisbezoek aan de arts is meegedeeld dat voor een medisch onderzoek van de echtgenote geen aanleiding bestond. Verder geven de verklaring van de behandelend fysiotherapeut van 3 september 2018 en de rapporten van het GAK geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de conclusies van de arts van Treve. De informatie in deze stukken ziet deels niet op de hier van belang zijnde periode en uit deze informatie blijkt niet dat de arts van Treve een onjuist medisch beeld voor ogen heeft gehad.

4.5.

Nu het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest, appellant voldoende gelegenheid heeft gehad om zelf medische stukken over te leggen en daarvan ook gebruik heeft gemaakt en hij onvoldoende twijfel heeft gezaaid over de inhoudelijke medische beoordeling door de arts van Treve, bestaat geen aanleiding om een deskundige te benoemen.

Zaak 18/4885, aangevallen uitspraak 2, keukenaanpassing

4.6.

Het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 2 richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over de keukenaanpassing. Ook hierover heeft appellant in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich ook hier beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak 2 afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van bestreden besluit 1.

4.7.

De Raad onderschrijft de hierop betrekking hebbende overwegingen van de rechtbank en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne.

4.8.

De Raad voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat met de verstrekte maatwerkvoorziening voor de keukenaanpassing geen plaats is voor een vaatwasser niet tot een ander oordeel leidt. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vaat handmatig gedaan kan worden.

Zaak 19/1716 bestreden besluit van 8 oktober 2018, voorziening voordeur

4.9.

Het nadere besluit van 8 oktober 2018 wordt gelet op de artikelen 6:19 en 6:24 van de Awb mede in de beoordeling betrokken.

4.10.

Het college heeft aan dit besluit ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met artikel 2.3.8, derde lid, van de Wmo 2015 niet heeft willen meewerken aan een nader medisch onderzoek en dat hierdoor het recht op de gevraagde voorziening voor de voordeur niet vastgesteld kan worden.

4.11.

Appellant heeft aangevoerd dat het college hiermee geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak 2. In dit verband heeft appellant betoogt dat het door het college voorgestelde – ingrijpende – onderzoek gezien de overwegingen in deze uitspraak, de reeds verrichte onderzoeken en de conclusie van het college dat appellant met de elektrische rolstoel de voordeur niet kan openen, redelijkerwijs niet nodig was.

4.12.

Zoals vermeld in 2.3 heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 ten aanzien van de voorziening voor de voordeur bepaald dat nader onderzoek naar de medische situatie van appellant en de situatie ter plekke van de voordeur en de bereikbaarheid van de voordeur voor appellant diende plaats te vinden. Gelet hierop wordt appellant niet gevolgd in zijn standpunt dat het onderzoek dat het college ter uitvoering van deze uitspraak door een medisch adviseur wilde laten verrichten en waarbij was voorzien in een huisbezoek redelijkerwijs niet nodig was. De grond van appellant dat het college hiermee geen juiste uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak 2 slaagt daarom niet.

Conclusie

4.13.

Uit het voorgaande volgt dat de hoger beroepen niet slagen, zodat de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3 moeten worden bevestigd, voor zover aangevochten. Verder volgt uit het voorgaande dat het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2018 ongegrond moet worden verklaard.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3, voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 8 oktober 2018 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé als voorzitter en D. Hardonk-Prins en A.T. Marseille als leden, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2020.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) R. van Doorn