Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3392

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
28-12-2020
Datum publicatie
06-01-2021
Zaaknummer
18/4560 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvorderen bijstand. Niet gemelde bijschrijvingen en stortingen op bankrekening. Terecht als inkomen aangemerkt. Geen dringende redenen om van terugvordering af te zien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4560 PW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Datum uitspraak: 28 december 2020

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

11 juli 2018, 18/254 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H.A.T. Vijftigschild, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Vijftigschild. Het college heeft zich niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 18 juli 2013 bijstand, laatstelijk ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

Appellant heeft in het kader van een rechtmatigheidsonderzoek bankafschriften overgelegd over de periode van april 2015 tot en met juni 2016. Daarop zijn stortingen zichtbaar en bijschrijvingen van de zussen van appellant.

1.3.

Bij besluit van 15 augustus 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 5 december 2017 (bestreden besluit), heeft het college de bijstand van appellant met toepassing van
artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW over de periode van 1 april 2015 tot en met 31 maart 2016 herzien en met toepassing van artikel 58, eerste lid, van de PW de over die periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 4.115,21 bruto van appellant teruggevorderd. Aan de besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de stortingen en bijschrijvingen op zijn bankrekening. Het college heeft de stortingen en de bijschrijvingen als inkomen van appellant aangemerkt die op de bijstand in mindering moeten worden gebracht. Als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting is tot een te hoog bedrag bijstand verleend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 april 2015 tot en met 31 maart 2016.

4.2.

Niet in geschil is dat in de te beoordelen periode bijschrijvingen en stortingen op de rekening van appellant hebben plaatsgevonden en dat appellant hiervan geen melding heeft gemaakt bij het college.

4.3.

Volgens appellant heeft het college de bijschrijvingen en stortingen ten onrechte als inkomen aangemerkt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat hij niet vrijelijk over de bijschrijvingen en stortingen kon beschikken, omdat de gelden bestemd waren voor noodzakelijke uitgaven waaronder medicinale cannabis, die door zijn zorgverzekering niet wordt vergoed, en voor onderhoud aan zijn eigen huis, om boetes van de gemeente te voorkomen.

4.4.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Bedragen die zijn gestort en bedragen die zijn bijgeschreven door derden op een bankrekening van iemand die bijstand ontvangt worden in beginsel beschouwd als in aanmerking te nemen middelen in de zin van artikel 31, eerste lid, van de PW. Als deze betalingen een terugkerend of periodiek karakter hebben, door de betrokkene kunnen worden aangewend voor de algemeen noodzakelijke bestaanskosten en zien op een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan, is ook sprake van inkomen als bedoeld in artikel 32, eerste lid, van de PW. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 7 mei 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1450). Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij niet vrijelijk over de gelden heeft kunnen beschikken. Zijn stelling dat de gelden bestemd waren voor medicinale cannabis en noodzakelijke werkzaamheden aan zijn woning brengt daarin geen verandering. Uit het betalingsverkeer dat uit de bankafschriften naar voren komt, kan immers niet worden afgeleid hoe de stortingen en bijschrijvingen zijn besteed. En zelfs als ze daaraan wel zijn besteed, dan blijven het toch nog middelen waarover appellant kon beschikken. Appellant heeft ook niet onderbouwd dat de op zijn bankrekening gestorte en bijgeschreven bedragen bedoeld waren voor specifieke kosten die niet tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren.

4.5.

De beroepsgrond dat geen sprake is van inkomen omdat het geleende geld zou zijn dat moet worden terugbetaald, leidt niet tot het daarmee beoogde doel. Allereerst is een geldlening in artikel 31, tweede lid, van de PW niet uitgezonderd van het middelenbegrip. Verder worden periodieke betalingen van derden, waaronder familieleden, aan bijstandsontvangers - ongeacht in welke vorm deze worden verstrekt en waarover vrijelijk kan worden beschikt - naar vaste rechtspraak van de Raad als inkomen van de bijstandontvanger aangemerkt (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 juni 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2249).

4.6.

Door van deze bijschrijvingen en stortingen geen melding te maken, heeft appellant de inlichtingenverplichting geschonden. De stelling van appellant dat het contact met de gemeente al jaren moeizaam verloopt, leidt, wat hier ook van zij, niet tot een ander oordeel. Beoordeeld moet worden of appellant inlichtingen had moeten geven en dit heeft nagelaten. Dit laatste is hier het geval.

4.7.

Omdat het college als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting tot een te hoog bedrag bijstand heeft verleend, was het college op grond van artikel 54, derde lid, eerste volzin, van de PW verplicht de bijstand te herzien en op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW de tot een te hoog bedrag betaalde kosten van bijstand van appellant terug te vorderen.

4.8.

Voor zover appellant heeft beoogd een beroep te doen op dringende redenen op grond waarvan het college van terugvordering had moeten afzien, slaagt dit beroep niet. Dringende redenen kunnen slechts zijn gelegen in onaanvaardbare sociale of financiële gevolgen van een terugvordering, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle relevante omstandigheden. Degene die zich beroept op dringende redenen om geheel of ten dele van terugvordering af te zien, zal het bestaan van de gestelde dringende redenen aannemelijk moeten maken. De door appellant genoemde omstandigheden, waaronder zijn slechte financiële situatie als gevolg van problemen met de uitbetaling van de bijstand in 2013 en het problematische contact met het college, zijn geen gevolg van de terugvordering en kunnen alleen al om die reden niet worden aangemerkt als een dringende reden in de hiervoor bedoelde zin.

4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 december 2020.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) D. Bakker