Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3364

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
25-12-2020
Zaaknummer
20/2190
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2020:5047, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen privaatrechtelijke dienstbetrekking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-12-2020
FutD 2021-0025
USZ 2021/48
V-N Vandaag 2021/408
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20/2190

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam

van 5 juni 2020, 19/4820 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 24 december 2020

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2020. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

Na de zitting heeft appellant zijn verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken.

Op 3 december 2020 heeft, via videobellen, een nadere zitting plaatsgevonden. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Seyban.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was werkzaam als zelfstandig advocaat. Appellant verleende rechtsbijstand op basis van toevoegingen die werden verstrekt door de Raad voor Rechtsbijstand (rvr).

1.2.

Bij brief van 4 maart 2018 heeft appellant het Uwv verzocht een beschikking te geven over de vraag of hij voor zijn werkzaamheden als advocaat verplicht verzekerd is geweest voor de werknemersverzekeringen.

1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 18 februari 2019, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 17 september 2019 (bestreden besluit), vastgesteld dat appellant niet verplicht verzekerd is geweest voor de werknemersverzekeringen. Dit besluit is gebaseerd op de conclusie dat niet is voldaan aan de criteria voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant opnieuw aangevoerd dat sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen hem en de rvr. Appellant wenst overigens geen beroep te doen op de werknemersverzekeringen, maar wil na een onderbreking van zijn werkzaamheden en een tuchtrechtelijke procedure weer aan de slag als eenpitter en wenst dit te financieren met een teruggave van volgens hem ten onrechte betaalde omzetbelasting.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

De werkzaamheden die appellant heeft verricht binnen het stelsel van gefinancierde rechtsbijstand zijn door hem verricht als zelfstandig advocaat. De financiering van die werkzaamheden door de rvr wordt beheerst door het bestuursrecht. Van toepassing zijn de subsidiebepalingen uit titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De wettelijke grondslag voor de specifieke taakuitvoering door de rvr wordt gevormd door de Wet op de rechtsbijstand en de daarop gebaseerde regelgeving. Appellant stond dus in verhouding tot de rvr als subsidieontvanger tot subsidieverlener. Verwezen wordt in dit verband naar bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP2790. Het convenant dat appellant in het kader van het programma “High Trust” in 2014 met de rvr heeft afgesloten moet dan ook worden gezien als een nadere regeling van de uitoefening van de bestuursrechtelijke taak door de rvr jegens appellant. Verwezen kan in dit verband nog worden naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:269.

4.2.

Het overwogene onder 4.1 wordt niet anders door de kritische kanttekeningen die appellant heeft geplaatst bij de wijze waarop de rvr zich jegens hem heeft gedragen. Alles wat appellant heeft aangevoerd valt volledig binnen de hiervoor beschreven subsidierelatie tussen hem en de rvr. Van afspraken die daarbuiten vallen en mogelijk als een arbeidsverhouding vallen te kwalificeren is in het geheel niet gebleken.

4.3.

Het bestreden besluit houdt dus stand. Wel is daarin, zoals het Uwv ter zitting van de Raad heeft onderkend, ten onrechte gesproken van een overeenkomst van opdracht waarbinnen arbeid en loonbetaling aan de orde zouden zijn. Niet onderkend is dat het hier een bestuursrechtelijke rechtsbetrekking betreft, waarbinnen de kenmerken van een arbeidsverhouding op voorhand niet aanwezig zijn. Aangezien belanghebbenden door dit motiveringsgebrek niet zijn benadeeld, zal de Raad dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeren.

4.4.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. In de toepassing van artikel 6:22 van de Awb wordt aanleiding gezien te bepalen dat het Uwv het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant vergoedt. Er is niet gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 178,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2020.

(getekend) B.J. van de Griend

(getekend) L. Winters

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.