Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3360

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
19/229 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. De Raad ziet geen aanleiding om de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken. Voldoende onderbouwd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 229 ZW

Datum uitspraak: 24 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

3 december 2018, 18/391 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft [X.], hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een expertiserapport en een aanvullende reactie van neuroloog J.U.R. Niewold ingebracht.

Het Uwv heeft rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door [X.]. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door mr. T. van der Weerd.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker bediening voor 11,8 uur per week. Op 1 augustus 2016 heeft zij zich ziek gemeld met pijnklachten na een auto-ongeval. Appellante ontving op dat moment een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Met ingang van 6 oktober 2016 heeft het Uwv appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

In het kader van een eerstejaars ZW-beoordeling (EZWb) heeft appellante het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet in staat is haar eigen werk te verrichten, vervolgens vijf functies geselecteerd en op basis van de drie functies met de hoogste lonen berekend dat appellante nog 100 % van haar zogeheten maatmaninkomen zou kunnen verdienen. Het Uwv heeft bij besluit van 4 augustus 2017 de ZW-uitkering van appellante met ingang van 4 september 2017 beëindigd omdat zij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 17 januari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op 12 december 2017 aangepast en appellante belastbaar geacht voor 30 uur passende arbeid per week. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat niet alle geselecteerde functies passend zijn, maar dat voldoende passende functies resteren op basis waarvan het verdienvermogen van appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen bedraagt.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank geoordeeld dat aan het bestreden besluit een zorgvuldig medisch onderzoek ten grondslag ligt. Uit wat appellante heeft aangevoerd volgt niet dat de wijze van onderzoek, in zijn geheel bezien, gebreken vertoont. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gezien om te concluderen dat onvoldoende rekening is gehouden met het medisch arbeidsongeschiktheidscriterium en het protocol Whiplash, zoals appellante heeft gesteld. Voorts heeft de rechtbank geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de FML. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 3 mei 2018 afdoende gemotiveerd waarom hij in de door appellante in beroep overgelegde brief van 4 januari 2018 van de gezondheidspsycholoog en de brief van 12 februari 2018 van de neuroloog geen aanleiding heeft gezien om meer beperkingen aan te nemen en de rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de verzekeringsarts bezwaar en beroep hierin niet te volgen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in zijn rapport van 13 december 2017 afdoende heeft gemotiveerd waarom de aan de schatting ten grondslag gelegde functies geen overschrijdingen opleveren van de belastbaarheid van appellante op de in geding zijnde datum.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de combinatie van de het whiplash-syndroom met de aanpassingsstoornis met depressieve kenmerken maakt dat meer beperkingen moeten worden aangenomen. Appellante heeft gewezen op haar medicatiegebruik en op de psychische onderzoeksbevindingen bij het medisch onderzoek op 13 juli 2017, waarbij de term “bedwelmd” is gebruikt. De geselecteerde functies zijn niet passend voor appellante omdat de aangenomen belastbaarheid wordt overschreden. Appellante heeft een expertiserapport van 12 juni 2019 en een aanvullende reactie van
20 augustus 2019 van Niewold ingebracht. Daarnaast heeft zij informatie van 2 januari 2019, 16 januari 2019 en 21 maart 2019 van de behandelend revalidatiearts, van 9 oktober 2018 van de orthopeed, van 12 februari 2018 van de neuroloog en een journaal van de huisarts overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft reacties van 26 juni 2019 en 14 oktober 2019 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van 25 oktober 2019 van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingebracht en verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19aa, eerste lid, van de ZW heeft een verzekerde zonder werkgever, na 52 weken ongeschiktheid tot werken, recht op ziekengeld als hij nog steeds ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid en hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Op grond van artikel 19aa, vijfde lid, van de ZW wordt onder het maatmaninkomen verstaan hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Op grond van artikel 19ab, eerste en derde lid, van de ZW wordt het percentage van het maatmaninkomen dat de verzekerde kan verdienen, bedoeld in artikel 19aa van de ZW, vastgesteld op basis van een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek en wordt onder arbeid als bedoeld in artikel 19aa van de ZW verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe een verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Voor de beoordelingssystematiek waarmee de verdiencapaciteit na het eerste ziektejaar wordt bepaald, wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de huidige uitvoeringssystematiek van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, waarbij aan de hand van geschikte functies wordt vastgesteld of de betrokkene beschikt over resterende verdiencapaciteit (zie de uitspraak van de Raad van 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4920).

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat appellante meer dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd en de ZW-uitkering terecht met ingang van 4 september 2017 heeft beëindigd.

4.3.

De gronden die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de juistheid van het bestreden besluit. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden geheel onderschreven.

4.4.

Niewold heeft gesteld dat aanvullende beperkingen gelden in de rubriek persoonlijk

functioneren, in verband met het medicatiegebruik en de depressieve toestand van appellante.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapporten van 26 juni 2019 en 14 oktober

2019 overtuigend onderbouwd dat in dit verband beperkingen zijn aangenomen en dat voor de

door Niewold gestelde aanvullende beperkingen in deze rubriek geen medische grondslag

aanwezig is, nu Niewold zelf geen bevindingen van een psychisch onderzoek vermeldt in zijn

rapport. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is hierbij tevens ingegaan op de psychische

onderzoeksbevindingen bij het medisch onderzoek op 13 juli 2017, waarbij is genoteerd dat sprake lijkt te zijn van “enige bedwelming”, en heeft in voldoende mate onderbouwd waarom hierin geen aanleiding bestaat om meer beperkingen aan te nemen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn conclusie dat uit het rapport van de verzekeringsarts volgt dat bij psychisch onderzoek (uiteindelijk) werd vastgesteld dat er geen aanwijzingen waren voor concentratieproblemen en dat appellante aan het einde van gesprek helder en alert was. Niewold heeft tevens gesteld dat aanvullende beperkingen gelden voor fysieke omgevingseisen en statische houdingen in verband met appellantes ziektebeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft overtuigend onderbouwd dat de in de FML aangenomen fyieke beperkingen passend zijn bij de onderzoeksbevindingen van de (behandelende) artsen. Dit geldt eveneens voor het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat Niewold de door hem gestelde verdergaande urenbeperking niet heeft onderbouwd. De Raad ziet geen aanleiding om de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep in twijfel te trekken.

4.5.

Met de aanvullende toelichting van 25 oktober 2019 is de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingegaan op de hoger beroepsgronden van appellante en heeft daarmee voldoende onderbouwd dat de aan de EZWb ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht geschikt voor haar zijn.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.5 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2020.

(getekend) S. Wijna

(getekend) L. Winters