Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3346

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
17-629 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken en terugvordering bijstand. Niet gemelde voortzetting van onderneming, inkomsten, huur onderneming en bezit van contant geld. Financiële situatie is onduidelijk gebleven zodat ten gevolge van de schending van de inlichtingenverplichting het recht niet is vast te stellen. Rechtsgevolgen vernietigde besluit blijf in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

17 629 PW

Datum uitspraak: 22 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 december 2016, 15/8107 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting door de enkelvoudige kamer heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2019. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.A. Veenendaal.


Het onderzoek ter zitting is geschorst om appellant in de gelegenheid te stellen een advocaat te zoeken en stukken te verzamelen.

De enkelvoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is door de meervoudige kamer hervat op 13 november 2020. Appellant is niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. A.A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving laatstelijk vanaf 7 december 2010 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), naar de norm voor een alleenstaande. Het college heeft appellant vanaf 25 januari 2011 toegestaan op bescheiden schaal werkzaamheden te verrichten voor eigen rekening en met behoud van bijstand. Bij brief van 24 september 2012 heeft het college appellant medegedeeld dat deze bescheiden schaalregeling per 1 januari 2013 wordt beëindigd en dat appellant eventuele inkomsten vanaf 1 januari 2013 weer maandelijks moet opgeven. Appellant had een webshop genaamd [naam webshop] en heeft per oktober 2013 een fysieke winkel in Amsterdam.

1.2.

Het college heeft de bijstand van appellant met ingang van 25 november 2014 ingetrokken, omdat appellant per die datum gedetineerd was.

1.3.

Naar aanleiding van ontvangen stukken van een strafrechtelijk onderzoek door de Politie Eenheid Amsterdam, is bij een medewerker van het team Terugvordering, Cluster Sociaal, Inkomen van de gemeente Amsterdam een vermoeden van fraude door appellant ontstaan. De politie had op 25 november 2014 bij een doorzoeking in de woning van appellant onder meer geld aangetroffen ten bedrage van ongeveer € 57.832,-.

1.4.

Naar aanleiding daarvan heeft een sociaal rechercheur, werkzaam bij de afdeling Handhaving Werk en Inkomen, team Opsporing, van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur onder meer dossieronderzoek gedaan en kennis genomen van de verkregen gegevens van de politie. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport uitkeringsfraude van 11 juni 2015.

1.5.

In de onderzoeksresultaten heeft het college aanleiding gezien om bij besluit van 31 juli 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 11 november 2015 (bestreden besluit), de bijstand van appellant over de periode van 1 januari 2013 tot 25 november 2014 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand over die periode tot een bedrag van € 27.882,66 van appellant terug te vorderen. Het college heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de voortzetting van zijn onderneming na 1 januari 2013, de inkomsten die daaruit zijn verkregen, de huur van een winkelpand, en het bezit van ruim € 50.000,-. Als gevolg hiervan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. De financiële situatie van appellant is onduidelijk.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 31 juli 2015 neemt, met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen. Hiertoe heeft de rechtbank het volgende overwogen. Op 29 oktober 2015 heeft een telefonische hoorzitting plaatsgevonden, waarbij appellant vanwege zijn detentie niet aanwezig kon zijn. Appellant heeft ter zitting van de rechtbank betwist dat hij het college toestemming heeft verleend om hem telefonisch te horen. Gelet daarop ligt het op de weg van het college om aan te tonen dat appellant heeft ingestemd met het telefonisch horen. De rechtbank is van oordeel dat het college niet heeft kunnen aantonen dat de telefonische hoorzitting met toestemming van appellant heeft plaatsgevonden. Gelet daarop heeft het college het bestreden besluit in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht genomen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd, voor zover daarbij is bepaald dat het college een nieuw besluit op het bezwaar van appellant neemt.

4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ter zitting van de enkelvoudige kamer hebben partijen te kennen gegeven dat zij in hoger beroep een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit wensen. Gelet daarop zal de Raad het bestreden besluit beoordelen in het licht van de beroepsgronden zoals die bij de rechtbank zijn aangevoerd en geen oordeel geven over de vraag of de rechtbank heeft kunnen bepalen dat het college een nieuw besluit op het bezwaar diende te nemen.

4.2.

De te beoordelen periode loopt in dit geval van 1 januari 2013 tot 25 november 2014.

4.3.

Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.4.

Appellant heeft bij de politie op 25 november 2014 verklaard dat hij een telefoon/internetzaak in Amsterdam heeft en dat het verschillend is wat hij per maand verdient. Op 3 december 2014 heeft appellant tegen de politie verklaard dat hij al drie à vier jaar een internetsite heeft, [naam webshop], dat hij zo ongeveer een jaar ook een fysieke winkel heeft en dat de winkel goed loopt. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel (KvK) van [naam webshop] sinds 15 februari 2011 was in eerste instantie voor de webshop, waar later de winkel bij is gekomen. Hieruit en uit het feit dat het bedrijf van appellant ten tijde van het politieonderzoek nog stond ingeschreven bij de KvK blijkt dat appellant na 1 januari 2013 is doorgegaan met zijn onderneming en daaruit inkomsten had. Dit heeft appellant niet aan het college gemeld. De beroepsgrond dat appellant niet wist dat de bescheiden schaalregeling was beëindigd slaagt niet, omdat hem dit bij brief van 24 september 2012 is medegedeeld. Bovendien had appellant, als de bescheiden schaalregeling wel was doorgelopen, zijn inkomsten ook moeten opgeven bij het college. Appellant heeft evenmin gemeld dat hij ruim € 50.000,- in zijn bezit had. Dat hij € 50.000,- heeft geleend van zijn oudtante, zoals appellant heeft verklaard, betekent niet dat hij dat bezit niet hoefde te melden. Het gaat hier om gegevens waarvan het appellant redelijkerwijs duidelijk moest zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand. Gelet hierop heeft appellant de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden.

4.5.

Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de betreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad. Appellant is daarin niet geslaagd. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.5.1.

Appellant heeft niet met verifieerbare stukken onderbouwd dat hij geen inkomsten uit zijn bedrijf heeft ontvangen. Appellant heeft in dit kader aangevoerd dat hij nog stukken van zijn bedrijf wilde achterhalen maar dat dat niet lukt, zolang hij in een streng detentieregime zit. Voor zover appellant hiermee aanvoert dat hij in bewijsnood komt, heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem vanuit detentie, al dan niet door tussenkomst van een gemachtigde, niet mogelijk is de door hem bedoelde stukken te verkrijgen. Appellant heeft hiervoor in hoger beroep ruim voldoende gelegenheid gehad. Hierdoor is niet duidelijk hoeveel inkomsten appellant uit zijn onderneming heeft ontvangen.

4.5.2.

Verder is niet duidelijk hoe appellant vanaf oktober 2013 de huur van het winkelpand van € 1.210,- per maand heeft bekostigd. De stelling van appellant dat hij de huur van het winkelpand nooit heeft betaald, wordt niet gevolgd. De directrice van het bedrijf van wie appellant het winkelpand huurde, heeft op 16 januari 2015 bij de politie verklaard dat de huur tot juli 2014 wel is betaald, en dat pas het laatste half jaar een huurachterstand is ontstaan.

4.5.3.

Voorts heeft de financiële recherche van de politie geconstateerd dat appellant vanuit zijn onderneming € 35.000,- aan goodwill en overnamekosten heeft betaald voor de overname van het winkelpand in oktober 2013. Onduidelijk is hoe appellant dit heeft bekostigd. Indien appellant moet worden gevolgd in zijn stelling dat hij dit met het geld uit de lening van zijn oudtante heeft betaald, dan had hij daarvan nog € 15.000,- over en is onduidelijk wat de herkomst is van de rest van het bedrag van ruim € 57.000,-, dat op 25 november 2014 in zijn woning is aangetroffen door de politie.

4.5.4.

Gelet op 4.5.1 tot en met 4.5.3 is de financiële situatie van appellant in de te beoordelen periode onduidelijk, zodat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De beroepsgrond dat appellant bij vonnis van 10 juni 2015 door de strafrechter is vrijgesproken van witwassen, doet aan voorgaande niet af. De strafrechter heeft appellant van dit feit vrijgesproken omdat niet met voldoende mate van zekerheid kon worden uitgesloten dat het geld waarop de witwasverdenking betrekking had, een legale herkomst had. Hiermee is echter de financiële onduidelijkheid zoals in 4.5.1 tot en met 4.5.3 beschreven, niet weggenomen.

4.6.

De door appellant aangevoerde beroepsgrond over het gelegde beslag dient hier buiten beschouwing te blijven, omdat de bestuursrechter daarover geen oordeel kan geven.


Conclusie

4.7.

Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd, voor zover daarbij is bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad, gelet op 4.2 tot en met 4.6, de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand laten. Gelet op dit oordeel bestaat geen grond om het college te veroordelen tot vergoeding van schade, zodat het daartoe strekkende verzoek zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij is bepaald dat het college een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door J.T.H. Zimmerman als voorzitter en M. ter Brugge en J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van T. Ali als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.

(getekend) J.T.H. Zimmerman

(getekend) T. Ali