Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3344

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
22-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
19-466 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekken bijstand na niet meewerken aan huisbezoek. De verrichte waarnemingen vormden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellante. Redelijke grond. Bij het dagelijks bestuur kon, gelet op de onderzoeksbevindingen, redelijkerwijs twijfel bestaan over de opgave van appellante dat zij alleen met haar kinderen op het uitkeringsadres woonde. Geen andere, minder belastende wijze tot onderzoek. Grond over informed consent is te laat in hoger beroep ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19/466 PW

Datum uitspraak: 22 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

11 januari 2019, 18/884 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur van Werkplein Fivelingo (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken overgelegd. Appellante heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 november 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het dagelijks bestuur is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 1 april 2016 in aanvulling op haar inkomsten uit arbeid bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Op 11 januari 2017 heeft appellante aan het dagelijks bestuur gemeld dat zij op 29 december 2016 een dochter heeft gekregen. Op 27 januari 2017 heeft appellante in een gesprek met haar klantmanager verklaard dat X de vader van haar dochter is, dat zij nog steeds een relatie met hem heeft en dat hij het kind heeft erkend.

1.2.

Naar aanleiding van een melding van de klantmanager dat appellante mogelijk samenwoont met X, heeft een toezichthouder van Werkplein Fivelingo een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellante. In dat kader heeft de toezichthouder dossieronderzoek verricht en in de periode van 29 mei 2017 tot en met 18 september 2017 waarnemingen in de omgeving van de woning van appellante verricht. Op 25 september 2017 hebben de toezichthouder en de klantmanager appellante gehoord. Appellante heeft onder meer verklaard dat zij een relatie heeft met X. Hij komt bijna elke dag langs, meestal rond 17.00 uur, en vertrekt weer nadat zijn dochter op bed ligt. X eet ongeveer vier keer in de maand mee en blijft ongeveer twee keer in de maand overnachten. De toezichthouder heeft appellante na afloop van het gesprek medegedeeld aansluitend een huisbezoek te willen brengen. Appellante heeft geweigerd daaraan mee te werken en heeft het gesprek verlaten zonder het gespreksverslag te ondertekenen. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 september 2017.

1.3.

Bij besluit van 28 september 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 8 maart 2018 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 25 september 2017 ingetrokken. Aan de besluitvorming heeft het dagelijks bestuur ten grondslag gelegd dat appellante niet heeft meegewerkt aan een huisbezoek. Zij heeft daardoor niet voldaan aan haar inlichtingen- en medewerkingsverplichting, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante niet heeft meegewerkt aan het huisbezoek. In geschil is of medewerking aan het huisbezoek van haar gevergd kon worden.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat de waarnemingen moeten worden aangemerkt als stelselmatige observaties. Daarmee is inbreuk gemaakt op het recht op respect voor het privéleven van appellante. De bevindingen van de waarnemingen kunnen daarom niet als bewijs worden gebruikt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.2.1.

Vaststaat dat de waarnemingen een inbreuk vormen op het recht op respect voor het privéleven van appellante, zoals beschermd op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Een dergelijke inbreuk behoeft, gelet op artikel 8, tweede lid, van het EVRM een wettelijke grondslag. De in artikel 53a van de PW vermelde onderzoeksbevoegdheid biedt in dit geval een toereikende wettelijke grondslag voor de waarnemingen. Daartoe is het volgende van betekenis.

4.2.2.

In de periode van 29 mei 2017 tot en met 18 september 2017 hebben op 58 dagen waarnemingen plaatsgevonden, waarvan op acht dagen op twee verschillende tijdstippen van de dag. Het betreft kortdurende waarnemingen vanaf de openbare weg, die met name waren gericht op de aanwezigheid van de auto van X in de nabijheid van de woning van appellante, waarbij X ook een aantal keren is waargenomen, vertrekkend vanaf de woning van appellante of rijdend in de buurt. Daarmee kon niet een min of meer volledig beeld van bepaalde aspecten van het leven van appellante worden verkregen. Gelet op de duur, intensiteit en frequentie van de waarnemingen is daarom geen sprake van stelselmatige observaties. De waarnemingen vormden een beperkte en aanvaardbare inbreuk op het recht op respect voor het privéleven van appellante. Dit betekent dat het dagelijks bestuur de waarnemingen aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen.

4.3.

De beroepsgrond van appellante dat geen sprake was van een redelijke grond voor het huisbezoek, slaagt evenmin. Daartoe is het volgende van betekenis.

4.3.1.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 12 juni 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1829) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden – in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand – indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Van een redelijke grond voor een huisbezoek is sprake als voorafgaand aan – dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van – het huisbezoek duidelijk is dat en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of volledigheid van de door betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van het recht op bijstand en het bijstandverlenend orgaan deze gegevens niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kan verifiëren.

4.3.2.

Appellante heeft op 25 september 2017 verklaard dat X bijna elke dag komt om zijn dochter te zien en ongeveer twee keer per maand blijft overnachten. Appellante heeft verder verklaard dat X meestal rond 17.00 uur langs komt en ongeveer vier keer per maand mee eet. Uit de waarnemingen blijkt dat X en/of zijn voertuig veelvuldig in de vroege ochtend zijn waargenomen in de nabije omgeving van de woning van appellante. De door appellante afgelegde verklaring is niet te rijmen met deze waarnemingen. Gelet op deze onderzoeksbevindingen kon bij het dagelijks bestuur redelijkerwijs twijfel bestaan over de opgave van appellante dat zij alleen met haar kinderen op het uitkeringsadres woonde. Dit betekent dat, anders dan appellante heeft aangevoerd, sprake was van een redelijke grond voor het huisbezoek zodat het dagelijks bestuur van appellante kon vergen daaraan haar medewerking te verlenen. Anders dan door appellante ter zitting is betoogd, kon het dagelijks bestuur de woonsituatie niet op een andere effectieve en voor appellante minder belastende wijze verifiëren dan door middel van een huisbezoek.

4.4.

Appellante heeft eerst ter zitting aangevoerd dat geen ‘informed consent’ is verleend. Deze beroepsgrond is zodanig laat aangevoerd dat het in strijd is met de goede procesorde om deze grond te betrekken bij de beoordeling van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. In dat verband is van belang dat het dagelijks bestuur niet op deze grond heeft kunnen reageren en dat niet is gebleken dat de beroepsgrond niet eerder had kunnen worden aangevoerd.

4.5.

Uit 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door G.M.G. Hink, in tegenwoordigheid van W.E.M. Maas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 december 2020.

(getekend) G.M.G. Hink

(getekend) W.E.M. Maas