Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3338

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
18-6017 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afgewezen aanvraag. Onduidelijke financiële situatie voorafgaand aan de aanvraag. De herkomst en de omvang van de contante gelden waarover appellante in de periode voorafgaand aan de aanvraag volgens eigen verklaring heeft beschikt kunnen niet worden vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6017 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

17 oktober 2018, 18/2616 (aangevallen uitspraak) en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

het dagelijks bestuur Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

Datum uitspraak: 8 december 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J. Cortet, advocaat, hoger beroep ingediend en verzocht het dagelijks bestuur te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van wettelijke rente.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 september 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Cortet. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.E.A. Arendsen.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving bijstand ingevolge de Participatiewet (PW) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij besluit van 5 juli 2016 heeft het dagelijks bestuur de bijstand van appellante met ingang van 31 maart 2016 ingetrokken. Appellante woonde ten tijde hier van belang met haar twee minderjarige kinderen op een adres in Zeist en ontving maandelijks kinderalimentatie tot een bedrag van € 460,-.

1.2.

Appellante heeft zich – nadat eerdere aanvragen om bijstand waren afgewezen of buiten behandeling gelaten – op 2 januari 2018 opnieuw gemeld om bijstand aan te vragen. Op 11 januari 2018 heeft appellante de aanvraag om bijstand ingediend. In het kader van deze aanvraag heeft een procesregisseur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (procesregisseur) appellante bij brief van 15 januari 2018 verzocht nadere gegevens te overleggen, waaronder bankafschriften en objectieve en verifieerbare bewijsstukken waaruit blijkt hoe appellante vanaf 1 juni 2016 heeft voorzien in haar kosten van levensonderhoud. Op de door appellante overgelegde bankafschriften staan transacties voor boodschappen en kasopnamen vermeld die aanzienlijk lager zijn dan de normen die het Nibud hanteert voor een volwassene en twee kinderen. Verder is op 26 juni 2017 een bedrag van € 7.500,- in verband met de verkoop van een auto bijgeschreven op de bankrekening van appellante. Diezelfde dag is een bedrag van € 4.750,- afgeschreven naar de zus van appellante onder vermelding van ‘de rest van het lenen’ en is een bedrag van € 2.750,- contant opgenomen. De procesregisseur heeft appellante vervolgens gehoord. Appellante heeft onder meer verklaard dat zij het bedrag van € 2.750,- contant heeft opgenomen in verband met haar vakantie en dat na de vakantie het geld nagenoeg op was. Verder heeft appellante verklaard dat zij heel zuinig leeft en geld heeft kunnen lenen. Deze bedragen ontving zij contant. Bij brief van 19 februari 2018 heeft de procesregisseur appellante onder meer verzocht om een met bewijsstukken onderbouwd overzicht van de leningen die appellante het afgelopen jaar heeft ontvangen. Bij ongedateerde brief, door het dagelijks bestuur ontvangen op 22 februari 2018, heeft appellante verklaard dat zij geen bewijsstukken kan inleveren van het geld dat zij van familie heeft geleend omdat de familie die gegevens om redenen van privacy niet wil verstrekken. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 februari 2018.

1.3.

Bij besluit van 2 maart 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 29 mei 2018 (bestreden besluit), heeft het dagelijks bestuur de aanvraag afgewezen op de grond dat niet voldoende duidelijkheid is geboden over de vraag hoe appellante in de periode voorafgaand aan haar aanvraag in de kosten van levensonderhoud heeft voorzien. In de periode voorafgaand aan de aanvraag blijkt uit de bankafschriften dat de maandelijks gepinde bedragen voor boodschappen circa 80% lager zijn dan de volgens het Nibud noodzakelijke uitgaven voor boodschappen. Appellante heeft haar verklaring dat zij in haar levensonderhoud heeft voorzien door te lenen van familieleden niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Hierdoor is het recht op bijstand niet vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 2 januari 2018 tot en met 2 maart 2018.

4.2.

Appellante heeft aangevoerd dat zij met de in beroep overgelegde verklaring van haar zus aannemelijk heeft gemaakt dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeert. Deze zus leent appellante maandelijks € 350,-, omdat appellante niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Deze beroepsgrond slaagt niet. Daartoe is het volgende van belang.

4.3.

Voor de beoordeling of de aanvrager verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden, is zijn of haar financiële situatie een essentieel gegeven. De aanvrager is gehouden de voor een goede beoordeling van de aanvraag vereiste gegevens over te leggen. Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 4 januari 2011, ECLI:NL:CRVB;2011:BP1399) is de bijstandverlenende instantie in het kader van het onderzoek naar het recht op bijstand bevoegd om gegevens te vragen die betrekking hebben op de financiële situatie, ook over de periode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum met ingang waarvan bijstand wordt gevraagd.

4.4.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 21 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1814) moet een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige opening van zaken te geven. Vervolgens is het aan de bijstandverlenende instantie om, in het kader van de onderzoeksplicht, deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.5.

Appellante stelt dat zij deels in haar levensonderhoud heeft voorzien door het aangaan van leningen die zij in contanten kreeg uitbetaald. Zij heeft die stelling echter niet met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Daarmee heeft zij niet de nodige duidelijkheid verschaft en geen volledige opening van zaken gegeven. De ongedateerde verklaring van de zus van appellante heeft appellante evenmin met objectieve en verifieerbare gegevens onderbouwd. Dit betekent dat de herkomst en de omvang van de contante gelden waarover appellante in de periode voorafgaand aan de aanvraag volgens eigen verklaring heeft beschikt niet kunnen worden vastgesteld. Om aannemelijk te kunnen maken dat appellante in de te beoordelen periode in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerde, was die duidelijkheid en volledige opening van zaken nodig.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Voor een veroordeling tot vergoeding van schade bestaat geen grond. Het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door M. ter Brugge als voorzitter en G.M.G. Hink en

M. van Paridon als leden, in tegenwoordigheid van I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 december 2020.

(getekend) M. ter Brugge

(getekend) I.A. Siskina