Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3331

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
19/2865 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ZW-uitkering terecht beëindigd. Aan de subjectieve beleving door appellant van zijn klachten en beperkingen kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend. Geen aanknopingspunten om de naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts onjuist te achten. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat appellant op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kon of mocht verrichten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2865 ZW

Datum uitspraak: 24 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

24 juni 2019, 18/1440 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.T. Slofstra, advocaat, hoger beroep ingesteld en stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ingezonden.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 12 november 2020. Partijen zijn niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als medewerker veilig thuis voor 28 uur per week. Op 12 oktober 2017 heeft hij zich ziek gemeld wegens overgevoeligheid voor bepaalde geuren. Per 13 januari 2018 is het dienstverband tussen appellant en zijn werkgever beëindigd. Het Uwv heeft appellant in aanmerking gebracht voor ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW).

1.2.

Op 30 april 2018 heeft appellant het spreekuur bezocht van een voor het Uwv werkzame arts. Appellant heeft op het spreekuur uiteengezet dat hij ziek wordt van dingen die hij inademt, zoals chemicaliën en parfums, deodorant, schoonmaakmiddelen, luchtverfrissers, rook van sigaretten en houtrook. Hij zegt zich te herkennen in de aandoening Meervoudige Chemische Sensitiviteit (MCS). Het Uwv heeft bij besluit van 7 mei 2018 vastgesteld dat appellant met ingang van 7 mei 2018 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij geschikt geacht wordt voor zijn eigen werk. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 3 juli 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond

verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het medisch onderzoek op een zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat appellant geen medische informatie heeft ingebracht waaruit blijkt dat de door hem geclaimde klachten geobjectiveerd kunnen worden. De gestelde MCS is volgens de verzekeringsartsen geen medisch objectiveerbare aandoening. De rechtbank heeft in het in beroep ingebrachte rapport van de arts R.T. Hupkens van A-REA en in de in bezwaar ingebrachte rapporten van de bedrijfsartsen, geen aanleiding gezien voor twijfel aan het standpunt van de verzekeringsartsen. Niet is aangetoond dat appellant op de datum in geding beperkingen ondervond door MCS. Aan de door appellant ingebrachte literatuur over MCS kan naar het oordeel van de rechtbank niet de waarde gehecht worden die appellant daaraan wenst toe te kennen, omdat dit geen informatie van de behandelend artsen betreft en geen betrekking heeft op de medische situatie van appellant zelf. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen sprake van somatisch onvoldoende verklaarbare lichamelijke klachten waar bij medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat, dat appellant als gevolg van ziekte niet in staat is te werken. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien een deskundige te raadplegen.

3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft herhaald dat hij door de aandoening MCS niet in staat is zijn eigen werk te verrichten. Appellant heeft ter onderbouwing van zijn standpunt een verzekeringsgeneeskundige expertise ingebracht van verzekeringsarts P.J.A.J. van Amersfoort en informatie van zijn huisarts.

3.2.

Het Uwv heeft onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 november 2019 bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Naar vaste rechtspraak is slechts sprake van arbeidsongeschiktheid als een verzekerde op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kan of mag verrichten. In de rechtspraak is ook tot uitdrukking gebracht dat in bijzondere gevallen kan worden aangenomen dat aan deze eis is voldaan, ook al is niet geheel en al duidelijk aan welke ziekte of aan welk gebrek het onvermogen om arbeid te verrichten valt toe te schrijven. In die bijzondere gevallen geldt de (minimum)eis dat bij de (onafhankelijke) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren medisch gemotiveerde en verantwoorde opvatting bestaat dat de verzekerde als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten

4.2.

De rechtbank wordt gevolgd in haar oordeel dat aan de subjectieve beleving door appellant van zijn klachten en beperkingen geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Ook doet zich niet de situatie voor dat er sprake is van een bijzonder geval, waarbij door meerdere (onafhankelijke) medisch deskundigen een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde opvatting bestaat dat appellant door door MCS zijn eigen werk niet kan verrichten. Appellant heeft niet onderbouwd dat van een dergelijk bijzonder geval sprake is. Er zijn geen stukken van de (behandelend) neuroloog of reumatoloog voorhanden waarin beperkingen zijn beschreven. In het in beroep ingebrachte rapport van een medisch belastbaarheidsonderzoek door dr. Hupkens van AREA zijn geen onderzoeksbevindingen beschreven, maar is alleen gerapporteerd dat appellant ziekteverschijnselen zal krijgen wanneer hij merkt dat hij met bepaalde stoffen of geuren in aanmerking komt en dat het niet om een ingebeelde ziekte gaat. Verder blijkt niet dat de door appellant gestelde klachten, zoals verlies van gezichtvermogen, onderhuidse bloeduitstortingen en ademhalingsproblemen, bij onderzoek zijn waargenomen. De verzekeringsarts heeft bij zijn onderzoek geen beperkingen waargenomen ten aanzien van de psyche en ook geen fysieke beperkingen waargenomen. De behandelaars beschrijven ook geen ziekteverschijnselen bij onderzoek.

4.3.

Wat appellant in hoger beroep onder verwijzing naar het door hem ingebrachte expertiserapport van Van Amersfoort en zijn huisarts heeft aangevoerd, geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. Uit de verwijsbrief van de huisarts blijkt dat hij de klachten van appellant reëel acht, maar er worden geen onderzoeksbevindingen beschreven die dat standpunt kunnen onderbouwen. Van Amersfoort heeft op basis van dossieronderzoek, anamnese, raadpleging van de huisarts van appellant en eigen onderzoek geconcludeerd, dat het toestandsbeeld bij appellant past bij een ziekte van psychische aard, een fobie naast een somatische symptoomstoornis. Als diagnose vermeldt hij: “anticipatieangst, obsessief denken met betrekking tot blootstelling/fobie?”. Appellant is hierdoor volgens hem niet volledig geschikt voor zijn eigen werk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in reactie op het expertiserapport uiteengezet dat het duidelijk is dat er geen oorzaak is gevonden voor de klachten van appellant en dat de klachten ook niet goed geobjectiveerd kunnen worden. Van Amersfoort heeft bij zijn psychiatrisch onderzoek geen afwijkingen in denken, waarnemen, oriëntatie en stemming gevonden. Ook heeft hij geen afwijkingen aan de huid gevonden. Medisch objectief is zodoende niet aangetoond dat contact met chemische stoffen en parfums (van collega’s) daadwerkelijk tot klachten leidt bij appellant. Er zijn geen aanknopingspunten om deze naar behoren gemotiveerde beschouwingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onjuist te achten. Dat betekent dat niet is komen vast te staan dat appellant op 7 mei 2018 op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten de in aanmerking komende arbeid niet kon of mocht verrichten

4.4.

De overwegingen in 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door W.J.A.M. van Brussel, in tegenwoordigheid van D. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2020.

(getekend) W.J.A.M. van Brussel

(getekend) D. Barthel