Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3292

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
18/5847 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad ziet aanleiding ook in deze zaak, waarin de boete alleen vanwege de draagkracht opnieuw moet worden vastgesteld, vooruit te lopen op de invoering van de wet vereenvoudiging beslagvrije voet. De Raad zal daarom ook in deze zaak uitgaan van een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. De voor beslag vatbare ruimte is daarom in beginsel 5% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2021/47
USZ 2021/53
JWWB 2021/39
AB 2021/78 met annotatie van R. Stijnen, C.W.C.A. Bruggeman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5847 PW

Datum uitspraak: 15 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 22 oktober 2018, 18/702 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.M.E. Embregts, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellant heeft mr. Embregts een schriftelijke uiteenzetting gegeven en nadere stukken ingediend. Het college heeft een nadere uiteenzetting gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Th. Boumans, waarnemend voor mr. Embregts. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V.H.J.M. van den Heuvel.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 25 juni 2015 (intrekkingsbesluit), na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 september 2015, heeft het college de laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW) aan appellant verleende bijstand met ingang van 28 september 2012 ingetrokken. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding had gemaakt van door hem verrichte op geld waardeerbare werkzaamheden als gevolg waarvan het recht op bijstand niet langer kon worden vastgesteld. Bij uitspraak van 16 maart 2016 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 18 september 2015 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 oktober 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:3715) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.2.

Bij besluit van 8 november 2016 heeft het college de over de periode van 28 september 2012 tot en met 31 januari 2015 gemaakte kosten van bijstand op grond van artikel 58, eerste lid, van de PW van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 38.372,- bruto. Het college heeft de over november en december 2014 aan appellant uitbetaalde toeslag voor een alleenstaande ouder (toeslag) op grond van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW van appellant teruggevorderd tot een bedrag van € 543,80 netto. Ten slotte heeft het college aan appellant een boete opgelegd van € 1.764,-.

1.3.

Bij besluit van 5 maart 2018 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 november 2016 voor zover het de boete betreft gegrond verklaard, de opgelegde boete verlaagd naar € 1.190,54 en de in bezwaar gemaakte kosten vergoed. Het college is daarbij uitgegaan van normale verwijtbaarheid en heeft de hoogte van de boete, rekening houdend met de draagkracht van appellant, vastgesteld op twaalf maal 10% van de voor appellant geldende norm.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Zoals ter zitting is komen vast te staan, is niet langer in geschil dat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting geen melding heeft gemaakt van op geld waardeerbare werkzaamheden.

4.2.1.

Appellant heeft aangevoerd dat het college geen gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid tot bruto terugvordering van de gemaakte kosten van bijstand, nu hij door betalingsverplichtingen aan het college en de Belastingdienst in ernstige financiële problemen is gekomen. Vooropgesteld wordt dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de netto teruggevorderde toeslag in november en december 2014 en uitsluitend ziet op de over de periode van 28 september 2012 tot en met 31 januari 2015 bruto teruggevorderde kosten van bijstand. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiervoor is het volgende redengevend.

4.2.2.

Volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 7 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2461) mag de bijstandverlenende instantie de in artikel 58, vijfde lid, tweede volzin, van de PW neergelegde bevoegdheid tot bruto terugvordering niet gebruiken als een vordering is ontstaan buiten toedoen van de betrokkene en hem niet kan worden verweten dat hij de vordering niet al heeft voldaan in het kalenderjaar waarin deze is ontstaan. Vaststaat dat de vordering voor zover het gaat om de hiervoor bedoelde periode van 28 september 2012 tot en met 31 januari 2015 niet buiten toedoen van appellant is ontstaan, omdat appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het college mocht daarom gebruik maken van zijn bevoegdheid om bruto terug te vorderen.

4.3.

De beroepsgrond dat het college op grond van dringende redenen van terugvordering had moeten afzien, slaagt niet. Dringende redenen als bedoeld in artikel 58, achtste lid, van de PW doen zich alleen voor als de terugvordering onaanvaardbare sociale en/of financiële gevolgen voor de betrokkene heeft. Het moet dan gaan om gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. In die gevallen moet een individuele afweging van alle relevante omstandigheden worden gemaakt. Degene die zich beroept op dringende redenen, moet die redenen aannemelijk maken. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in zijn geval dringende redenen voordoen als hiervoor bedoeld. Hierbij is van betekenis dat een besluit tot terugvordering pas financiële gevolgen heeft bij de invordering. In de door appellant aangevoerde slechte financiële situatie heeft het college daarom geen aanleiding hoeven zien tot het aannemen van een dringende reden. Appellant heeft bij de invordering als schuldenaar de bescherming van de regels over de beslagvrije voet die zijn neergelegd in de artikelen 475b tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4.4.

Het college heeft op de zitting van de Raad erkend dat het de toeslag over de maanden november en december 2014 ten onrechte met toepassing van artikel 58, tweede lid, aanhef en onder e, van de PW heeft ingetrokken, aangezien de toeslag niet onverschuldigd is betaald. Het college heeft daarnaast het standpunt ingenomen dat het de terugvordering van de toeslag in beginsel op artikel 58, tweede lid, aanhef en onder a, van de PW had kunnen baseren, maar dat toepassing van deze terugvorderingsgrondslag afstuit op de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie, omdat appellant het college al in februari 2014 heeft meegedeeld dat zijn zoon niet langer bij hem woonde. In dit geval doet geen van de andere in artikel 58, tweede lid, van de PW genoemde gronden tot terugvordering zich voor, zodat een wettelijke grondslag voor terugvordering van de toeslag over de maanden november en december 2014 ontbrak.

4.5.1.

Zoals ter zitting van de Raad met appellant is besproken, is het geschil over de opgelegde boete beperkt tot het antwoord op de vraag of het college van oplegging van de boete had moeten afzien, omdat appellant geen inkomen heeft. De bijstandverlenende instantie moet bij het opleggen van een bestuurlijke boete rekening houden met de actuele draagkracht van de overtreder en dus acht slaan op diens financiële positie ten tijde van het besluit tot het opleggen van de boete. Wordt de beslissing van de bijstandverlenende instantie over de hoogte van de boete aan het oordeel van de rechter onderworpen, dan dient deze zijn oordeel daarover te vormen met inachtneming van de omstandigheden op dat moment, waaronder de financiële omstandigheden. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12).

4.5.2.

De Raad heeft bij brief van 9 juni 2020 het college verzocht om te reageren op de brief van de staatssecretarissen van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) en van Financiën aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 13 februari 2019, Kamerstukken II 2018/19, 24 515, nr. 468, p. 6 (oproep van de staatssecretarissen). In deze brief heeft de staatssecretaris van SZW aangekondigd de gemeenten te zullen oproepen om, anticiperend op de inwerkingtreding van de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, bij verrekening van schulden met de bijstandsuitkering uit te gaan van een beslagvrije voet van 95% van de bijstandsnorm. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat te anticiperen op die wet.

4.5.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1525, aanleiding gezien om in zaken waarbij hij zelf de boete vaststelt en waarbij de draagkracht bij de vaststelling van de boete betrokken is, gehoor te geven aan de oproep van de staatssecretarissen. De Raad ziet aanleiding ook in deze zaak waarin de boete alleen vanwege de draagkracht opnieuw moet worden vastgesteld, vooruit te lopen op de invoering van deze wet. De Raad zal daarom uitgaan van een beslagvrije voet van 95% van de toepasselijke bijstandsnorm. De voor beslag vatbare ruimte is daarom in beginsel 5% van de toepasselijke bijstandsnorm.

4.5.4.

Het onder 4.5.3 genoemde uitgangspunt is leidend bij de berekening van de zogenoemde fictieve draagkracht. Dat uitgangspunt geldt ook als een betrokkene feitelijk over een inkomen beschikt dat lager is dan de beslagvrije voet. Dit is vaste rechtspraak (uitspraak van 16 mei 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1816). De daaraan ten grondslag liggende gedachte dat, als dat principe zou worden verlaten, in veel gevallen in het geheel geen boete meer zou kunnen worden opgelegd of vastgesteld, is ook van toepassing op een inkomen onder bijstandsniveau. De beroepsgrond dat appellant geen inkomen heeft, kan er daarom niet toe leiden dat van een lager bedrag wordt uitgegaan.

4.5.6.

Dit betekent dat de boete, rekening houdend met de fictieve draagkracht van appellant en uitgaande van normale verwijtbaarheid, moet worden vastgesteld op twaalf maal 5% van de voor appellant geldende norm voor een alleenstaande. Deze norm bedraagt vanaf 1 juli 2020 € 1.059,03. De boete moet daarom worden vastgesteld op € 635,40. De Raad acht deze boete passend en geboden.

4.6.

Uit 4.4 en 4.5.6 volgt dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen voor zover het betreft de terugvordering van de toeslag en de hoogte van de boete. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het besluit van 8 november 2016 te herroepen voor zover dit ziet op de terugvordering van de toeslag en met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht het bedrag van de boete vaststellen op € 635,40.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal een bedrag van € 2.100,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 5 maart 2018 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het betreft de terugvordering van de toeslag en de hoogte van de boete;

  • -

    herroept het besluit van 8 november 2016 voor zover het de terugvordering van de toeslag betreft en bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 5 maart 2018;

  • -

    stelt het bedrag van de boete vast op € 635,40 en bepaalt dat deze uitspraak ook in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 5 maart 2018;

  • -

    veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van in totaal € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.F. Wagner als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.C.G. Okhuizen als leden, in tegenwoordigheid van D. Bakker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2020.

(getekend) M.F. Wagner

(getekend) D. Bakker