Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3275

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
28-12-2020
Zaaknummer
18/6498 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nu niet is gebleken dat appellant schade heeft geleden, heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6498 BESLU

Datum uitspraak: 23 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 november 2018, 18/16 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020 door middel van beeldbellen. Appellant heeft niet deelgenomen aan de zitting. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 15 november 2010 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. Bij besluit van 7 april 2014 heeft het Uwv de WIA-uitkering per 23 april 2014 vastgesteld op bruto € 798,04 per maand. Aangevuld met een toeslag op grond van de Toeslagenwet ontving appellant bruto € 1.088,37 per maand. Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het Uwv de WIA-uitkering met ingang van 23 april 2014 vastgesteld op bruto € 2.469,30 per maand. Bij besluiten van 26 februari 2016 is na verrekening van de toeslag een bedrag van bruto € 23.135,21 aan appellant nabetaald en is wettelijke rente vergoed tot een bedrag van € 463,18. Voor het hoger beroep van appellant in verband met deze besluitvorming wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad met de procedurenummers 18/904 WIA en 18/5046 WIA met eenzelfde datum als deze uitspraak.

1.2.

Appellant heeft op 30 augustus 2017 vergoeding van schade gevorderd van het Uwv. Het verzoek om schadevergoeding heeft betrekking op gestelde schade die zou zijn veroorzaakt door het besluit van het Uwv van 7 april 2014. Appellant stelt dat de door hem geleden schade bestaat uit de gehele terugvordering van huurtoeslag (€ 2.985,00) en zorgtoeslag (€ 415,00) over het jaar 2016 door de Belastingdienst Toeslagen en een aanslag inkomstenbelasting over 2016 van € 2.718,00. In totaal vordert appellant een bedrag van € 6.118,00.

1.3.

Na het uitblijven van een besluit heeft appellant op 13 december 2017 beroep ingesteld bij de rechtbank met overlegging van zijn verzoek van 30 augustus 2017. Bij brief van 28 februari 2018 heeft het Uwv een aantal gegevens opgevraagd bij appellant en aan hem bericht dat het verzoek pas na ontvangst van deze stukken kan worden beoordeeld.

2. De rechtbank heeft geoordeeld bevoegd te zijn om kennis te nemen van het verzoek en heeft appellant in de gelegenheid gesteld om stukken aan te leveren. Appellant heeft bij brief van 25 april 2018 stukken ingediend. Het Uwv heeft het standpunt ingenomen dat op basis van de beschikbare stukken geen sprake is van schade als gevolg van het (onrechtmatige) besluit van 7 april 2014. De rechtbank heeft de berekening die het Uwv heeft gehanteerd gecontroleerd en ter zitting doorgenomen en besproken met partijen. De rechtbank is niet tot een andere uitkomst gekomen. Bij de bespreking ter zitting is weliswaar gebleken dat het Uwv met betrekking tot de berekening van de huurtoeslag over 2014 in de situatie dat de uitkering op juiste wijze zou zijn uitbetaald, ten onrechte is uitgegaan van een eenpersoonshuishouden in plaats van een meerpersoonshuishouden maar dit leidt niet tot een andere uitkomst. Op grond van de ter beschikking staande gegevens heeft de rechtbank vastgesteld met betrekking tot de inkomstenbelasting dat het bedrag dat appellant feitelijk heeft betaald, nagenoeg gelijk is aan het bedrag dat hij aan inkomstenbelasting verschuldigd zou zijn geweest over de jaren 2014, 2015 en 2016 indien de uitkering op de juiste wijze zou zijn uitbetaald. Met betrekking tot de huur- en zorgtoeslag is zelfs sprake van genoten voordeel omdat in de situatie dat de uitkering op juiste wijze zou zijn uitbetaald, appellant over de jaren 2014, 2015 en 2016 geen recht had op toeslagen (met uitzondering van een bedrag van € 192,- aan zorgtoeslag in 2014), terwijl hij feitelijk wel toeslagen heeft genoten in 2014 en 2015. Appellant heeft niet met argumenten onderbouwd dat de berekening van het Uwv onjuist is. Ook overigens heeft appellant niet aangevoerd dat sprake is van geleden schade als gevolg van het onrechtmatige besluit. Omdat niet is gebleken dat appellant schade heeft geleden, heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij over de jaren 2014 tot en met 2016 alle betaalde toeslagen heeft moeten terugbetalen aan de Belastingdienst als gevolg van de nabetaling van het Uwv. Door een fout van het Uwv heeft hij schade geleden.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraken bepleit.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is een zelfstandig verzoek om schadevergoeding. Zoals ook de rechtbank heeft geoordeeld is niet in geschil dat er sprake is geweest van onrechtmatige besluitvorming door het besluit van 7 april 2014.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geeft geen aanleiding om de toelichting met proefberekeningen van het Uwv van 12 juli 2018 onjuist te achten en om af te wijken van het oordeel van de rechtbank. Appellant heeft zijn standpunt dat hij de toeslagen in 2014 en 2015 ook heeft moeten terugbetalen niet met stukken onderbouwd. Evenmin heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij ook € 192,- heeft moeten terugbetalen aan de Belastingdienst. Appellant heeft niet aangevoerd dat sprake is van anderszins geleden schade als gevolg van het onrechtmatige besluit. Nu niet is gebleken dat appellant schade heeft geleden, heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding terecht afgewezen.

4.3.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J.P.A. Boersma en R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van D. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. Barthel