Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3271

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
18/904 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mate van arbeidsongeschiktheid. Horen. Zorgvuldigheid medische onderzoek. Medische beoordeling per 26 januari 2016. Verzoek deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/38
NJB 2021/229
USZ 2021/92
JB 2021/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 904 WIA

Datum uitspraak: 23 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 december 2017, 16/4457 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2020. Namens appellant heeft mr. F. Reith, advocaat, deelgenomen door middel van beeldbellen en appellant heeft deelgenomen via een telefoonverbinding. Het Uwv heeft zich, eveneens via beeldbellen, laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het Uwv heeft aan appellant met ingang van 15 november 2010 een loongerelateerde uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100% en het dagloon op € 53,97. Vanaf 13 juli 2011 was appellant werkzaam als IT servicemanager in dienst van [naam BV] ([naam BV]). Op 25 april 2012 is appellant uitgevallen voor zijn werkzaamheden. Na de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 13 juli 2012 heeft appellant aansluitend een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen die werd verrekend met de WIA-uitkering. De loongerelateerde WGA-uitkering is vanaf 15 april 2013 omgezet in een loonaanvullende WGA-uitkering. Bij besluit van 27 maart 2014 is appellant meegedeeld dat na 104 weken het recht op ZW-uitkering (met ingang van 23 april 2014) eindigt. Bij besluit van 7 april 2014 heeft het Uwv de WIA-uitkering per 23 april 2014 vastgesteld op bruto € 798,04 per maand exclusief vakantiegeld. Het bezwaar van appellant tegen de hoogte van de WIA-uitkering heeft het Uwv bij beslissing op bezwaar van 31 juli 2014 ongegrond verklaard. Voor het hoger beroep van appellant in verband met deze besluitvorming wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad met de procedurenummers 18/5046 WIA en 18/6498 BESLU met eenzelfde datum als deze uitspraak.

1.2.

Appellant heeft op 11 januari 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft per 23 april 2014 verminderde benutbare mogelijkheden vastgesteld. Deze zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 12 januari 2016. Vervolgens heeft een arbeidskundige onderzoek verricht, onder meer naar de garantiestelling loonaanvullingsuitkering (garantieregeling). De arbeidskundige heeft voor de garantieregeling de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 23 april 2014 vastgesteld op 79,88%. Bij besluit van 23 februari 2016 heeft het Uwv met ingang van 26 januari 2016 (tot 1 maart 2018) een loonaanvullende WGA-uitkering toegekend. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 77,13% en het verdienvermogen op € 923,94. Het dagloon is vastgesteld op € 151,38. Omdat het dagloon per 23 juni 2014 wordt verhoogd komt de garantieregeling vanaf deze datum niet tot uitbetaling en ontvangt appellant een nabetaling over de periode vanaf 23 april 2014. Bij besluiten van 26 februari 2016 is na verrekening van een toeslag een bedrag van bruto € 23.135,21 aan appellant nabetaald en is wettelijke rente vergoed tot een bedrag van € 463,18. Appellant heeft op 28 maart 2016 bij het Uwv digitaal bezwaar gemaakt tegen het besluit van 23 februari 2016.

1.3.

Nadat appellant op 6 september 2016 digitaal beroep had ingesteld bij de rechtbank tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 28 maart 2016, heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 februari 2016 bij beslissing op bezwaar van 26 september 2016 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Appellant ontvangt tot 1 maart 2018 70% van zijn maandloon, daarna ontvangt hij een vervolguitkering. Omdat appellant in bezwaar geen medische dan wel arbeidskundige gronden heeft aangevoerd gaat het Uwv ervan uit dat het besluit van 23 februari 2016 op goede gronden is genomen. Daarnaast heeft het Uwv een (maximale) dwangsom van € 1.260,- verbeurd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard omdat het Uwv alsnog heeft beslist bij het bestreden besluit. De volgens appellant ingediende klacht bij de rechtbank over het niet in behandeling nemen van het beroep dient volgens de rechtbank buiten beschouwing te worden gelaten, evenals het verzoek om schadevergoeding dat buiten de omvang van dit geding valt. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat voor zover er al sprake is van een verzuim van het Uwv wat betreft de hoorplicht dit gepasseerd kan worden op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Appellant heeft alles wat van belang zou kunnen zijn naar voren kunnen brengen bij de rechtbank. Appellant had vanaf 2010 recht op een WIA-uitkering en er kan dan ook geen sprake zijn van een nieuw WIA-recht omdat er maar één recht kan bestaan en niet gebleken is dat de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling van het Uwv onjuist is. Door het anonimiseren van de medische stukken door appellant is niet duidelijk op wie de gegevens betrekking hebben en door wie ze zijn verstrekt. Het standpunt van het Uwv dat op grond van deze stukken niet kan worden beoordeeld of daarin aanleiding zou moeten worden gezien een ander medisch standpunt in te nemen, wordt door de rechtbank gevolgd. Op grond van de data die op de stukken staan kan wel worden vastgesteld dat de stukken niet zien op de data in geding. Er bestaat dan ook volgens de rechtbank geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 26 januari 2016 terecht vastgesteld op 77,13%. Appellant houdt tot 1 maart 2018 recht op een loonaanvullingsuitkering. Ten slotte is volgens de rechtbank niet gesteld of gebleken dat de berekende rente over de nabetaling van de WIA-uitkering onjuist is.

3.1.

Appellant heeft in hoger beroep verwezen naar de gronden in eerste aanleg en aangevoerd dat hij psychische klachten heeft overgehouden aan uitzendingen door het Amerikaanse leger en dat hij niet kan omgaan met gezag. Sinds 2010 is hij volledig arbeidsongeschikt en sinds een val in 2012 heeft hij last van duizelingen, hoofdpijn en geheugen- en concentratieverlies. Hij heeft met zijn klachten diverse malen een neuroloog bezocht maar die voert helaas een expectatief beleid. De verzekeringsarts heeft onvoldoende rekening gehouden met deze klachten en met rug- en nekklachten en glaucoom en heeft onvoldoende doorgevraagd naar zijn psychische klachten. In rubriek 1 van de FML hadden beperkingen moeten worden vastgesteld als gevolg van een Posttraumatisch Stressstoornis (PTSS). Ook had door het gebruik van Tramadol een beperking bij item 1.9.9 moeten worden opgenomen. De functie administratief medewerker (SBC-code 315100) is ongeschikt. Appellant heeft in hoger beroep op 22 september 2020 en 13 oktober 2020 verschillende medische stukken ingediend van een neuroloog uit 2012, 2013 en 2015, een huisartsenjournaal en een rapport van 10 december 2015 van de medische dienst van [naam BV] met betrekking tot re-integratie. Het rapport van de neuroloog uit 2015 maakt melding van bevindingen na een valpartij op 23 oktober 2015. Deze informatie zaait volgens appellant voldoende twijfel ten aanzien van het oordeel van het Uwv en geeft aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

3.2.

Ter zitting heeft appellant toegelicht dat uit het rapport van [naam BV] van 10 december 2015 blijkt dat hij is onderzocht door een psychotherapeut en een neuroloog van [naam BV] en dat uit deze onderzoeken een ernstige vorm van PTSS, een dubbele hernia en een hersenschudding naar voren komt. Hun rapporten zijn er niet meer. Hij ging ervan uit dat deze informatie door de medische dienst van [naam BV] naar het Uwv was gestuurd. Dat het Uwv niet over deze informatie beschikte, kon hij niet weten. Dit komt volgens appellant voor risico van het Uwv.

3.3.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en heeft een specificatie van de betaalde wettelijke rente ingediend. Daarnaast heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep op 29 september 2020 en 26 oktober 2020 gereageerd op de door appellant in hoger beroep ingediende medische stukken.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is enkel de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 26 januari 2016, door het Uwv vastgesteld op 77,13%. Het verdienvermogen in verband met de inkomenseis is vastgesteld op € 923,94. De inkomenseis is van belang voor de vaststelling van de vervolguitkering die appellant met ingang van 1 maart 2018 ontvangt. Tot die tijd ontving appellant vanaf 23 april 2014 een uitkering als ware hij 80-100% arbeidsongeschikt. Verwezen wordt ook naar de uitspraak van de Raad met procedurenummer 18/5046 WIA met eenzelfde datum als deze uitspraak.

Horen

4.3.1.

Op grond van artikel 7:2, eerste lid, van de Awb stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord. Daartoe heeft het Uwv bij brief van 11 juli 2016 appellant in de gelegenheid gesteld binnen 10 dagen kenbaar te maken met een antwoordformulier of hij zijn bezwaar wil toelichten op een hoorzitting. Uit een brief van 19 augustus 2016 van het Uwv blijkt dat nadat het Uwv geen antwoord had ontvangen en appellant telefonisch niet bereikbaar was, het Uwv appellant voor een hoorzitting op 12 september 2016 heeft uitgenodigd. Volgens de contacthistorie van het klantencontactcentrum van het Uwv (KCC) heeft appellant het Uwv op vrijdag 26 augustus 2016 gebeld en verklaard dat hij geen gebruik wil maken van een hoorzitting en dat hij verzoekt om een dwangsom.

4.3.2.

Tijdens de beroepsprocedure heeft appellant op 20 oktober 2016 een ingevuld antwoordformulier hoorzitting ingediend bij de rechtbank, gedateerd op 14 juli 2016. Op dat formulier staat het hokje “Ik wil een hoorzitting” aangekruist en appellant heeft op dat formulier extra vermeld dat hij ten eerste een wetsartikel wil zien waaruit blijkt dat een hoorzitting nog mogelijk is na de bezwaartermijn, ten tweede dat hij in de periode 10 tot en met 24 september in het buitenland verblijft, ten derde dat hij inzage wenst in zijn dossier en ten vierde dat hij een verslag wil van de hoorzitting met het recht om deze te corrigeren. Bij brief van 15 augustus 2017 heeft appellant verklaard dat hij dit formulier op 14 juli 2016 heeft verstuurd en de enveloppe heeft laten afstempelen bij het postkantoor te Hoofddorp en om een kopie heeft gevraagd. Ook heeft appellant verklaard dat hij het antwoordformulier heeft afgeleverd bij het Uwv met twee getuigen. Bij brief van 20 oktober 2017 heeft appellant verklaard dat hij het formulier bij het Uwv wilde inleveren en dat een ontvangstbewijs werd geweigerd. Hij heeft het formulier vervolgens in bijzijn van getuigen ingeleverd en een kopie hiervan opgestuurd per post, waarbij hij een kopie van de enveloppe heeft opgevraagd bij PostNL. Ook heeft appellant op 20 oktober 2016 bij de rechtbank een door hem opgesteld telefoonrapport ingediend met de datum donderdag 25 augustus 2016. Volgens dit rapport heeft hij aan het Uwv doorgegeven dat hij in het buitenland verbleef, de termijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar is verstreken zodat hij niet weet of het wettelijk wel mogelijk is om nog een hoorzitting te houden, hij alleen per e-mail bereikbaar is en de opmerking dat als er de volgende dag geen contact met hem wordt opgenomen, hij beroep instelt bij de rechtbank. Op 6 september 2016 heeft appellant beroep ingesteld bij de rechtbank.

4.3.3.

Appellant verzoekt geregeld om dwangsommen in verband met het niet tijdig beslissen op een aanvraag of een bezwaar door een bestuursorgaan. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad met de procedurenummers 19/1000 TW, 19/1005 WIA, 19/1722 ZVW en 19/2668 ZVW met eenzelfde datum als deze uitspraak. In de laatste twee zaken treedt appellant op als gemachtigde. Tijdens de procedure bij het bestuursorgaan verloopt de communicatie met appellant vaak moeizaam omdat appellant telefonisch niet bereikbaar is en/of in het buitenland verblijft. Opmerkelijk is dat appellant voornamelijk digitaal procedeert maar dat het veelvuldig voorkomt dat hij op een later moment in procedures kopieën van formulieren, bezwaar- en beroepsschriften en ingebrekestellingen indient waarbij hij zich op het standpunt stelt dat hij deze stukken op een eerder moment per post heeft verzonden aan de geadresseerde en daarnaast persoonlijk heeft ingeleverd bij de balie van de geadresseerde en/of bij een ander bestuursorgaan in het bijzijn van getuigen. Opmerkelijk is ook dat ondanks dat de volgens appellant persoonlijk ingediende stukken zijn voorzien van een baliestempel met een datum, deze stukken nooit zijn terug te vinden in de administratie van het bestuursorgaan of de rechtbank. De stukken worden ook nooit doorgezonden op grond van artikel 6:15, derde lid, van de Awb. Daarnaast is het ongeloofwaardig dat een postagentschap of postkantoor van PostNL een enveloppe zou voorzien van een stempelafdruk en van die enveloppe een kopie zou maken voor appellant. Het kan niet waar zijn dat ondanks dat appellant de stukken op verschillende manieren aanbiedt geen van de stukken ooit door het bestuursorgaan wordt ontvangen. Ook is opvallend dat appellant na het indienen van stukken niet belt met de geadresseerde als hij geen ontvangstbevestiging ontvangt en dat hij de stukken, gelet op de door appellant naar voren gebrachte slechte ervaringen met het indienen van stukken, niet aangetekend verzendt. Dit patroon is ook opgevallen bij de rechtbanken Noord-Holland en Amsterdam en het gerechtshof Amsterdam. Verwezen wordt naar de uitspraken van 2 april 2019, ECLI:NL:RBNHO:2019:2635 en ECLI:NL:RBNHO:2019:2636, 16 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:6046 en van 7 juli 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:1958. Verwezen wordt daarnaast naar de uitspraak van de Raad van 4 mei 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1691 waarbij appellant op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb, wegens onredelijk gebruik van procesrecht is veroordeeld in de proceskosten van de Sociale verzekeringsbank en de uitspraak van 1 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2488, waarbij appellant op grond van artikel 8:25 van de Awb in verbinding met artikel 8:108 van de Awb is geweigerd als gemachtigde wegens ernstige bezwaren.

4.3.4.

Naast dat uit het patroon dat blijkt uit 4.3.3 volgt dat appellant in de daar genoemde zaken poststempels en baliestempels moet hebben vervalst, bestaan er sterke aanwijzingen dat hij in dit hoger beroep een baliestempel van de Raad heeft vervalst. Appellant heeft op 22 december 2019 een kopie van een brief gedateerd op 1 juli 2019 ingediend die is voorzien van een stempelafdruk met de tekst: “Centrale Raad van Beroep, 1 JUL 2019, ontvangen balie”. Bij nader onderzoek is gebleken dat deze baliestempel op die datum niet meer in gebruik was bij de Raad. Vanaf september 2018 gebruiken de bodes een stempel met de tekst “ingekomen balie” en met een ander lettertype.

4.3.5.

Dat appellant op 14 juli 2016 een antwoordformulier hoorzitting heeft ingediend bij het Uwv of heeft verzonden per post is onder deze omstandigheden ongeloofwaardig. Daarom moet ervan worden uitgegaan dat deze stukken niet zijn ingediend of zijn verzonden. Ook wordt getwijfeld aan de inhoud van de door appellant ingediende telefoonnotitie. Niet aannemelijk is dat appellant zou herhalen wat hij al zou hebben vermeld op het antwoordformulier gedateerd op 14 juli 2016. Gelet hierop en op wat onder 4.3.3 is overwogen moet worden uitgegaan van de KCC-registratie van het Uwv van 26 augustus 2016 waarin staat dat appellant heeft afgezien van de hoorzitting. Het Uwv heeft dan ook op goede gronden afgezien van een hoorzitting.

Zorgvuldigheid medische onderzoek

4.4.

Het standpunt van appellant dat hij door het niet-horen geen medische en arbeidskundige gronden heeft kunnen indienen wordt dan ook niet gevolgd. Appellant is door het Uwv uitgenodigd voor een hoorzitting en is door de rechtbank ruimschoots in de gelegenheid gesteld medische gronden in te dienen. Ook heeft appellant door zijn gedragingen het medische onderzoek belemmerd. Zo heeft appellant de huisarts opgedragen geen medische gegevens te verstrekken aan de verzekeringsarts van het Uwv, heeft hij in beroep geanonimiseerde medische stukken ingediend en heeft hij pas op een zeer laat moment in hoger beroep medische stukken ingediend. Het standpunt van appellant dat het ontbreken van het rapport van [naam BV] van 10 december 2015 voor rekening van het Uwv komt, wordt niet gevolgd. Uit het rapport van de verzekeringsarts van het spreekuur op 11 januari 2016 blijkt niet dat appellant heeft gewezen op dit rapport van [naam BV] of op de onderliggende onderzoeken. Daarnaast heeft appellant inzage gehad in zijn dossier in bijzijn van de verzekeringsarts. Hij kon er dan ook van op de hoogte zijn dat het rapport zich niet in het dossier bevond. Opmerkelijk is dat de valpartij in oktober 2015 niet in het rapport van [naam BV] wordt vermeld, maar alleen het ongeval in 2012. Ook zou in een medisch rapport moeten zijn opgenomen door wie en wanneer appellant is onderzocht. Daarnaast bevat het rapport geen onderzoeksbevindingen maar alleen conclusies waarvan het lijkt dat die door appellant zijn gemeld (en genoteerd met uitroeptekens). Ondanks dat de naam van het rapport luidt “medische controle met betrekking tot re-integratie” is daarin niets over re-integratie vermeld. Onduidelijk is ook waar de re-integratie uit zou hebben kunnen bestaan omdat het dienstverband op 13 juli 2012 en de ZW-uitkering op 23 april 2014 reeds was beëindigd. Het onderzoek door de verzekeringsarts heeft bestaan uit eigen onderzoek, anamnese en de voorhanden dossiergegevens en er zijn geen medische gegevens of andere aanwijzingen die aanleiding geven om het onderzoek onvolledig of onzorgvuldig te vinden. Daarnaast heeft het Uwv gemotiveerd waarom geen onderzoek heeft plaatsgevonden door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Omdat appellant geen medische gronden in bezwaar heeft aangevoerd was hier geen aanleiding voor. Volgens de KCC-registratie van het telefoongesprek met het Uwv heeft appellant verklaard dat hij geen gebruik wil maken van de bezwaarprocedure en verzoekt hij (alleen) om een dwangsom.

Medische beoordeling per 26 januari 2016. Verzoek deskundige.

4.5.

Appellant heeft op 11 januari 2016 het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. De verzekeringsarts heeft per 23 april 2014 verminderde benutbare mogelijkheden vastgesteld in de FML van 12 januari 2016. Appellant komt voor het eerst in hoger beroep met herleidbare medische stukken van een neuroloog uit 2012, 2013 en 2015. Uit de stukken blijkt dat hij op 23 oktober 2015 door een neuroloog is onderzocht na een val op zijn achterhoofd. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de stukken beoordeeld en heeft op grond van de ingebrachte gronden en medische informatie geen aanleiding gezien om de FML aan te passen. Een verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd dat de neuroloog in 2015 geen neurologische afwijkingen heeft gevonden, dat de verzekeringsarts rekening heeft gehouden met de diagnose “HNP lumbaal” en dat van een PTSS of van een behandeling daarvoor tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts niet is gebleken. Ook uit het ingediende huisartsenjournaal blijkt volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet dat er sprake zou zijn van ernstige cognitieve stoornissen of dat er aanleiding bestaat om beperkingen in rubriek 1 van de FML op te nemen. Er bestaat geen aanleiding om de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen. De door appellant geclaimde klachten zijn niet onderbouwd met medische stukken. Ook heeft hij geen stukken ingediend waaruit blijkt dat hij rond de datum in geding of daarna behandeld werd voor PTSS. Ondanks dat de gedragingen van appellant, zoals de gemachtigde van appellant ook aanvoert, wijzen op een stoornis, zijn er in hoger beroep geen medische stukken ingediend die leiden tot twijfel aan het standpunt van het Uwv. Er is dan ook geen aanleiding voor het benoemen van een deskundige.

4.6.

Uitgaande van de juistheid van de FML bestaat er geen aanleiding om de geschiktheid van de geselecteerde voorbeeldfuncties voor onjuist te houden. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid dan ook met ingang van 26 januari 2016 op goede gronden vastgesteld op 77,13%.

4.7.

Appellant heeft geen gronden aangevoerd tegen de specificatie van de wettelijke rente die het Uwv op 4 december 2019 heeft ingediend. Er wordt dan ook van uitgegaan dat dit niet langer in geschil is.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd voor zover aangevochten.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter en J.P.A. Boersma en R.M. van Male als leden, in tegenwoordigheid van D. Barthel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2020.

(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen

(getekend) D. Barthel