Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3239

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
19/3245 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onder de omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat appellant op 14 maart 2018 in strijd met de verplichtingen opzettelijk heeft nagelaten zijn arbeid te verrichten als bedoeld in artikel 3.2 van het NRGA. Dat betekent dat de beroepsgrond van appellant dat artikel 3.2 van de NRGA geen grondslag biedt voor de stopzetting van het salaris per 14 maart 2018 slaagt. Nu appellant zich op 15 maart 2018 had ziek gemeld moest hij die dag bereikbaar zijn voor de organisatie, als vermeld in het protocol bij verzuim en re-integratie van de gemeente Amsterdam. Nu dit niet het geval was, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het salaris van appellant vanaf 15 maart 2018 op grond van artikel 7.13 van de NRGA mocht worden stopgezet. Dat betekent dat de beroepsgrond van appellant dat het college het salaris niet per 15 maart 2018 mocht stopzetten op grond van artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA niet slaagt. Hieruit volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij het besluit tot stopzetting van het salaris van appellant met ingang van 14 maart 2018 in stand heeft gelaten. Deels zelf voorzien, deels bevestiging aangevallen uitspraak. Veroordeling Uwv in proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3245 AW

Datum uitspraak: 17 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 21 juni 2019, 18/6011 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Amrani, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Namens het college is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Amrani. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. S.J. Hauser.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 1 mei 1999 werkzaam bij de gemeente Amsterdam, [dienst A] , laatstelijk als [functienaam] bij de [naam afdeling, naam cluster] .

1.2.

Appellant heeft van 29 december 2017 tot 29 januari 2018 verlof opgenomen. Op 25 januari 2018 heeft appellant zich vanaf [X.] telefonisch ziek gemeld. Op 1 maart 2018 is appellant teruggekeerd naar Nederland. Op 2 maart 2018 heeft appellant dit via een WhatsApp-bericht aan zijn leidinggevende medegedeeld. Op 4 maart 2018 is appellant tot nader order geschorst omdat hij niet bereikbaar is voor de dienst en is hem medegedeeld dat hij in de gelegenheid wordt gesteld zich daarover te verantwoorden.

1.3.

Op 5 maart 2018 heeft appellant zich opnieuw ziek gemeld. Op 8 maart 2018 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat er geen redenen zijn om aan te nemen dat appellant zich op de oorspronkelijke datum van terugkeer niet had kunnen laten vervoeren naar Nederland. Voorts heeft zij gerapporteerd dat appellant per datum terugkeer in Nederland, volledig arbeidsgeschikt is voor (passend) eigen werk, rekening houdend met de gestelde beperkingen. Naar aanleiding van dit advies is op 8 maart 2018 aan appellant medegedeeld dat het college zich aan het beraden is welke maatregel er getroffen moet worden en dat hij tot nader order niet wordt verwacht op het werk.

1.4.

Op 13 maart 2018 is met appellant een verantwoordingsgesprek gevoerd over de wijze waarop hij zich op 25 januari 2018 vanaf [X.] heeft ziek gemeld en over de bevindingen van de bedrijfsarts. Met appellant is toen afgesproken dat hij op 14 maart 2018 op het werk zou verschijnen om het verslag van het verantwoordingsgesprek te lezen en te ondertekenen. Het exacte tijdstip zou telefonisch aan hem worden medegedeeld. Appellant was vervolgens onbereikbaar. Op 14 maart 2018 is appellant niet op het werk verschenen.

1.5.

Op 15 maart 2018 heeft appellant via een WhatsApp-bericht aan zijn leidinggevende medegedeeld dat hij na het gesprek van 13 maart 2018 ziek is geworden. Voorts heeft hij meegedeeld dat hij het niet eens is met het rapport van de bedrijfsarts en evenmin met het verantwoordingsgesprek. Appellant meldt zich ziek. In reactie hierop heeft de leidinggevende op 15 maart 2018 via WhatsApp aan appellant medegedeeld dat hij op 16 maart 2018 om 9:30 uur op het werk en om 11:45 uur bij de bedrijfsarts wordt verwacht. Op dit bericht heeft appellant niet gereageerd.

1.6.

Bij besluit van 15 maart 2018 is het salaris van appellant met toepassing van artikel 7:13 van de Nieuwe Rechtspositieregeling Gemeente Amsterdam (NRGA) met ingang van 14 maart 2018 stopgezet. Aan dit besluit is ten grondslag gelegd dat appellant wederom niet bereikbaar was voor de dienst.

1.7.

Bij besluit van 14 september 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar van appellant gegrond verklaard en het besluit van 15 maart 2018 gedeeltelijk herroepen in die zin dat het salaris van appellant per 14 maart 2018 wordt stopgezet met toepassing van artikel 3.2 van de NRGA omdat hij in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk na heeft gelaten arbeid te verrichten en vanaf 15 maart 2018 met toepassing van artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA omdat hij zich niet heeft gehouden aan de procedures voor ziek- en hersteldmelding, begeleiding ziekteverzuim en Arbo-begeleiding. Aan de stopzetting van het salaris is de einddatum van 24 april 2018 verbonden.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat artikel 3.2 van de NRGA geen rechtsgrond biedt voor stopzetting van zijn salaris met ingang van 14 maart 2018 indien hij geen gehoor geeft aan de oproep van zijn leidinggevende om een afspraak te maken om op het werk te verschijnen om het verslag van het verantwoordingsgesprek te ondertekenen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld, althans onvoldoende heeft gemotiveerd, dat het college zijn salaris op 15 maart 2018 mocht stopzetten op grond van artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA. Appellant stelt dat hij altijd bereikbaar is geweest, hij zich tijdens het verantwoordingsgesprek op 13 maart 2018 ziek heeft gemeld en in de dagen daarna wegens arbeidsongeschiktheid niet in staat was de telefoon op te nemen. Evenmin heeft hij de WhatsApp van zijn werkgever van 15 en 16 maart 2018 gelezen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Stopzetting salaris met ingang van 14 maart 2018

4.1.

In artikel 3.2, eerste lid, van de NRGA is bepaald dat zolang zijn aanstelling duurt een ambtenaar recht heeft op salaris, vergoedingen, toelagen en uitkeringen overeenkomstig dit hoofdstuk. Dit recht bestaat niet over de tijd dat de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat arbeid te verrichten.

4.2.

Op 4 maart 2018 heeft de leidinggevende appellant medegedeeld dat hij tot nader order geschorst is omdat hij niet bereikbaar is voor de dienst. Op 8 maart 2018 is appellant wederom medegedeeld dat hij tot nader order niet hoeft te verschijnen op het werk omdat het college zich na het advies van de bedrijfsarts moet beraden op te nemen maatregelen. Vervolgens heeft er op 13 maart 2018 een verantwoordingsgesprek plaats gevonden. Uit het verslag van dat gesprek blijkt dat van appellant wordt verwacht dat hij overeenkomstig wat is geregeld in artikel 13.5 van de NRGA – op 14 maart 2018 het verslag van het verantwoordingsgesprek zou ondertekenen en dat hij op zo kort mogelijke termijn op de hoogte wordt gesteld van de vervolgmaatregelen. Uit dat verslag is niet kunnen blijken van afspraken over de werkhervatting van appellant.

4.3.

Onder deze omstandigheden kan niet worden geoordeeld dat appellant op 14 maart 2018 in strijd met de verplichtingen opzettelijk heeft nagelaten zijn arbeid te verrichten als bedoeld in artikel 3.2 van het NRGA. Het enkele feit dat de bedrijfsarts appellant op 8 maart 2018 arbeidsgeschikt heeft geacht voor (passend) eigen werk maakt dat, anders dan het college heeft gesteld, niet anders. Dat betekent dat de beroepsgrond van appellant dat artikel 3.2 van de NRGA geen grondslag biedt voor de stopzetting van het salaris per 14 maart 2018 slaagt.

Stopzetting salaris met ingang van 15 maart 2018

4.4.

In artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA is – voor zover van belang – bepaald dat de ambtenaar geen recht heeft op salaris voor de duur dat hij niet voldoet aan de verplichtingen in artikel 7.7.

4.5.

In artikel 7.7, tweede lid, aanhef en onder a, van de NRGA is bepaald dat de ambtenaar verplicht is zich te gedragen volgens de procedures voor ziek- en hersteldmelding, begeleiding ziekteverzuim en Arbo-begeleiding.

4.6.

Uit het WhatsApp-verkeer met de leidinggevende blijkt dat appellant, naar aanleiding van het verzoek van zijn leidinggevende om op 15 maart 2018 om 9:30 uur op het werk te verschijnen, zich via WhatsApp op 15 maart 2018 ziek heeft gemeld per 13 maart 2018. Daarbij heeft hij laten weten dat hij zich niet kan vinden in het oordeel van de bedrijfsarts. Zijn leidinggevende heeft hem in reactie daarop laten weten dat hij desondanks op 16 maart op het werk en bij de bedrijfsarts wordt verwacht. Ter zitting van de rechtbank heeft appellant erkend dat hij deze berichten heeft ontvangen. Desondanks heeft appellant niet op dat bericht gereageerd. Nu appellant zich op 15 maart 2018 had ziek gemeld moest hij die dag bereikbaar zijn voor de organisatie, als vermeld in het protocol bij verzuim en re-integratie van de gemeente Amsterdam. Nu dit niet het geval was, is de Raad met de rechtbank van oordeel dat het salaris van appellant vanaf 15 maart 2018 op grond van artikel 7.13 van de NRGA mocht worden stopgezet. Dat betekent dat de beroepsgrond van appellant dat het college het salaris niet per 15 maart 2018 mocht stopzetten op grond van artikel 7.13, eerste lid, aanhef en onder a, van de NRGA niet slaagt.

4.7.

Uit wat onder 4.3 en 4.6 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij het besluit tot stopzetting van het salaris van appellant met ingang van 14 maart 2018 in stand heeft gelaten. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad – met gegrondverklaring van het beroep – het bestreden besluit vernietigen voor zover betrekking hebbend op de stopzetting van het salaris van appellant met ingang van 14 maart 2018. De Raad ziet verder aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 15 maart 2018 in zoverre te herroepen. Voor het overige moet de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

5. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.100,- .

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de stopzetting van het salaris van appellant met ingang van 14 maart 2018;

- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond voor zover betrekking hebbend op de stopzetting van het salaris van appellant met ingang van 14 maart 2018;

- herroept het besluit van 15 maart 2018 voor zover daarbij is bepaald dat het salaris van appellant met ingang van 14 maart 2018 is stopgezet;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.100,-;

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 429,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Buur als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Buur