Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3218

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
22-12-2020
Zaaknummer
19/4914 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank is op de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gronden of argumenten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van de overwegingen en het oordeel van de rechtbank. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt het daarop gebaseerde oordeel tot de zijne. Daaraan wordt toegevoegd dat de Raad in zijn uitspraak van 6 januari 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA5203, het genoemde beleid van de staatssecretaris niet onredelijk heeft geacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 4914 AW

Datum uitspraak: 17 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 9 oktober 2019, 18/1189 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Staatssecretaris van Financiën (staatssecretaris)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 november 2020. Appellant is niet verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. Nijholt, advocaat.

OVERWEGINGEN

1.1.

Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16, tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt, het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.2.

Appellant is werkzaam bij de Belastingdienst, segment [naam segment], in de functie van [naam functie].

1.3.

Op 20 april 2017 heeft appellant met eigen vervoer en met toestemming van zijn leidinggevende een dienstreis gemaakt naar een cursuslocatie in [locatie] voor een herhalingscursus bedrijfshulpverlening. Tijdens deze dienstreis is appellant op de N8/N203 met de door hem bestuurde auto achterop een andere auto gereden.

1.4.

Appellant heeft bij brief van 29 juni 2017 verzocht om vergoeding van de aan de auto ontstane schade ten bedrage van € 2.792,52 die niet wordt gedekt door de WA-verzekering.

1.5.

Bij besluit van 4 oktober 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 7 februari 2018 (bestreden besluit), heeft de staatssecretaris het verzoek van 29 juni 2017 afgewezen. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat het incident niet voldoet aan de kwalificatie dienstongeval aangezien de aanrijding is te wijten aan de schuld en onvoorzichtigheid van appellant. Doordat er geen sprake is van een dienstongeval, is evenmin sprake van een beroepsincident, waardoor appellant geen beroep kan doen op artikel 69, tweede lid, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR). Evenmin komt appellant in aanmerking voor vergoeding van zijn schade op grond van goed werkgeverschap. De staatssecretaris vergoedt alleen dan onverzekerde schade als sprake is van incidentele dienstreizen met de privéauto met hoge kilometervergoeding. Als sprake is van meer dan incidentele dienstreizen met de privéauto, en daarvan is bij appellant sprake, moet de hoge kilometervergoeding die daartegenover staat afdoende worden geacht voor het afsluiten van een allriskverzekering. Het feit dat appellant in een niet allriskverzekerde auto reed dient voor zijn rekening en risico te komen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de staatssecretaris terecht heeft geconcludeerd dat appellant klaarblijkelijk onvoorzichtig heeft gereden, zodat het beroep op artikel 35 van het ARAR niet slaagt. De staatssecretaris hanteert in het kader van artikel 69, eerste lid, van het ARAR een gedragslijn. Ingevolge die gedragslijn bestaat alleen aanspraak op vergoeding van onverzekerde schade als sprake is van incidentele dienstreizen met een privéauto, met hoge kilometervergoeding. Met de door de staatssecretaris gehanteerde uitleg van het begrip ‘incidenteel’ als ‘een enkele keer’ is de staatssecretaris binnen zijn beoordelingsruimte gebleven. Nu appellant niet heeft betwist dat hij in 2016 veertien keer en in 2017 zestien keer een dienstreis heeft gemaakt met een privéauto, en dit koppelend aan de gedragslijn, kan de rechtbank de staatssecretaris volgen in de stelling dat appellant meer dan incidenteel gebruik heeft gemaakt voor een dienstreis van zijn eigen auto. Voor zover appellant zich nog heeft beroepen op de voorwaarden waarbinnen zijn aanstelling tot bedrijfshulpverlener heeft plaatsgevonden, oordeelt de rechtbank dat de vergoeding tot de daarin genoemde schade zich uitsluitend uitstrekt tot het oefenen voor en het daadwerkelijk uitoefenen van de taak als bedrijfshulpverlener; de staatssecretaris heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat het vervoer naar een cursus daar niet onder valt.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De rechtbank is op de onder 2 weergegeven overwegingen tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe gronden of argumenten naar voren gebracht op grond waarvan getwijfeld moet worden aan de juistheid van de overwegingen en het oordeel van de rechtbank.

4.2.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank en maakt het daarop gebaseerde oordeel tot de zijne. Daaraan wordt toegevoegd dat de Raad in zijn uitspraak van 6 januari 2000, ECLI:NL:CRVB:2000:AA5203, het onder 1.5 genoemde beleid niet onredelijk heeft geacht.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van M. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 december 2020.

(getekend) C.H. Bangma

(getekend) M. Stumpel