Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3186

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
16-12-2020
Zaaknummer
18/5617 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om terug te komen van het besluit van 27 januari 2012.

Appellante heeft aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag gelegd. In deze omstandigheden wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is. Geen benoeming deskundige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 5617 WIA

Datum uitspraak: 11 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van

18 september 2018, 17/2587 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. K.U.J. Hopman, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een nadere reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via videobellen op 6 juli 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Hopman. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Ait Moha.

Het onderzoek ter zitting is geschorst.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Onder toepassing van artikel 8:64, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is een nader onderzoek ter zitting achterwege gebleven, waarna de Raad het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, van de Awb heeft gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is van 1 maart 2009 tot 5 september 2010 werkzaam geweest als verkoopmanager. Zij heeft zich op 18 oktober 2010 ziek gemeld met zwangerschapsklachten. Op dat moment ontving zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Tot en met

28 augustus 2011 heeft appellante een uitkering ontvangen op grond van de Wet arbeid en zorg. Aansluitend heeft appellante zich ziek gemeld met klachten als gevolg van de bevalling. Het Uwv heeft appellante een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 27 januari 2012 heeft het Uwv de ZW‑uitkering van appellante per 6 februari 2012 beëindigd, omdat appellante per die datum geschikt werd geacht haar eigen werk te verrichten. Het bezwaar hiertegen is bij besluit van 22 maart 2012 ongegrond verklaard. Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.

1.2.

Appellante heeft het Uwv bij brief van 13 september 2016 primair verzocht terug te komen van het besluit van 27 januari 2012. Verder is verzocht de aanspraken van appellante op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) te beoordelen uitgaande van een doorlopende arbeidsongeschiktheid op en na 6 februari 2012. Bij besluit van 20 december 2016 heeft het Uwv het verzoek om terug te komen van het besluit van

27 januari 2012 afgewezen. Aan dit besluit hebben rapporten van 12 en 16 november 2016 van een arts van het Uwv ten grondslag gelegen.

1.3.

Het bezwaar tegen het besluit van 20 december 2016 is bij besluit van 24 mei 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hieraan heeft een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 18 mei 2017 ten grondslag gelegen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de medio 2013 vastgestelde diagnose van Multiple Sclerose (MS) geen nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid is als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb, omdat de diagnose op zichzelf de belastbaarheid van appellante per 6 februari 2012 niet verandert. Onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 17 februari 2016, ECLI:Nl:CRVB:2016:503, heeft de rechtbank overwogen dat een andere diagnostische interpretatie van reeds bekende feiten en omstandigheden niet is aan te merken als een nieuw gebleken feit of een veranderde omstandigheid als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verzekeringsartsen steeds rekening hebben gehouden met de eerder bestaande klachten van appellante en met de daaruit voortvloeiende beperkingen. Voor benoeming van een deskundige, zoals door appellante is verzocht, heeft de rechtbank geen aanleiding gezien. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat wat appellante heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

3.1.

Appellante heeft aangevoerd dat het in de onderhavige zaak weliswaar ziet op de beëindiging van de ZW-uitkering per 6 februari 2012, maar dat de aanvraag van 13 september 2016 gericht is op het verkrijgen van een toekomstige uitkering van de Wet WIA. Appellante heeft in hoger beroep herhaald dat zij van mening is dat wel sprake is van een nieuw feit. Appellante heeft in de loop der jaren allerlei klachten ontwikkeld die kenmerkend zijn voor MS. Voor haar staat vast dat die diagnose de verklaring is voor de al langer bij haar bestaande klachten en beperkingen. Destijds heeft het Uwv een hersteldverklaring uitgesproken in verband met het ontbreken van medisch objectiveerbare klachten. Omdat de in 2012 bestaande rugklachten geobjectiveerd kunnen worden door de diagnose MS, moet het Uwv die rugklachten serieuzer nemen en erkennen dat appellante met die klachten niet geschikt was voor haar maatgevende arbeid. Juist omdat bij MS bekend is dat er een lange aanloopperiode is voordat de uiteindelijke diagnose wordt gesteld, maar dat er in die periode veelal wel al langer bestaande klachten zijn, is het voor appellante evident onredelijk dat het Uwv de hersteldverklaring van 6 februari 2012 handhaaft. Appellante heeft onder verwijzing naar stap 3 in de uitspraak van de Raad van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226), te weten dat bij de bestuursrechter twijfel moet zijn ontstaan aan de juistheid van de beoordeling, om benoeming van een deskundige verzocht.

3.2.

Nadat het onderzoek ter zitting is geschorst, heeft het Uwv op 28 augustus 2020 een besluit genomen waarin is geweigerd om appellante met ingang van 9 februari 2013 een WIA-uitkering toe te kennen, omdat appellante niet gedurende de wachttijd van 104 weken recht heeft gehad op een ZW-uitkering. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad stelt voorop dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van

20 december 2016 is genomen naar aanleiding van de aanvraag van 13 september 2016, waarin appellante onder meer heeft verzocht terug te komen van het besluit van 27 januari 2012. In geding is slechts de afwijzing van het verzoek van appellante om terug te komen van het besluit van 27 januari 2012, waarin is vastgesteld dat appellante per 6 februari 2012 geen recht meer heeft op ziekengeld.

4.2.

Het Uwv heeft op het verzoek van appellante beslist met overeenkomstige toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetst of het bestuursorgaan zich terecht, zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als het bestreden besluit die toets doorstaat, kan de bestuursrechter niettemin aan de hand van wat de rechtszoekende heeft aangevoerd tot het oordeel komen dat het bestreden besluit evident onredelijk is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 27 december 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:5115).

4.3.

Onder nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

4.4.

De medische informatie die appellante bij haar verzoek heeft gevoegd, te weten het journaal van de huisarts van 25 februari 1998 tot en met 8 november 2012, kan niet worden aangemerkt als een nieuw gebleken feit, omdat, zoals de rechtbank al heeft overwogen, de gegevens in dat journaal al bekend waren en zijn meegewogen bij de beoordeling. De beperkingen die appellante ervaarde, waren al bekend bij het Uwv en zijn betrokken bij de beoordeling. Dat er thans een diagnose is gesteld, levert geen nieuw feit op. Gelet hierop is het standpunt van het Uwv, dat appellante aan haar verzoek geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden ten grondslag heeft gelegd, juist. Dit kan de afwijzing van het verzoek om terug te komen van het besluit van 27 januari 2012 in beginsel dragen. In deze omstandigheden wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit evident onredelijk is.

4.5.

Het verzoek om een deskundige te benoemen wordt afgewezen. Van een situatie als bedoeld in stap 3 in de door appellante genoemde uitspraak van de Raad van 30 juni 2017, is geen sprake. Nu geen twijfel is aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv, is er geen aanleiding een deskundige te benoemen.

4.6.

Voor zover het verzoek van appellante ziet op de periode na haar aanvraag, wordt overwogen dat het verzoek om terug te komen van het eerdere besluit is gedaan op een datum waarop het tijdvak waarover het ziekengeld kon worden verstrekt als bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de Ziektewet, al was verstreken. Een beoordeling van eventuele aanspraken in de toekomst kan in deze procedure dan ook niet aan de orde komen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 16 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4600).

4.7.

De overwegingen in 4.1 tot en met 4.6 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van V.M. Candelaria als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2020.

(getekend) J. Brand

(getekend) V.M. Candelaria