Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3176

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
16-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
18/4878 WAJONG
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd Wajong-uitkering toe te kennen. Het ontbreken van arbeidsvermogen is niet duurzaam. Zorgvuldig medisch onderzoek door de verzekeringsartsen. Geen sprake van schending van het beginsel van 'equality of arms'. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige voldoende hebben onderbouwd dat bij appellant geen sprake is van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/99 met annotatie van Bogaard, E. van den
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4878 WAJONG

Datum uitspraak: 16 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 augustus 2018, 17/4289 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. O.F.X. Roozemond, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het Uwv heeft een reactie ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2020. Via beeldbellen is namens appellant mr. Roozemond verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1997, heeft op 3 september 2014 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten. Daarbij is melding gemaakt van buik- en darmklachten. Bij besluit van 11 december 2014 heeft het Uwv deze aanvraag afgewezen, omdat appellant ten gevolge van zijn klachten beperkt belastbaar is, maar geen sprake is van volledig en duurzaam arbeidsonvermogen. Appellant heeft op 23 juli 2015 een tweede aanvraag ingediend in verband met een verergering van zijn buikklachten en daarmee samenhangende problematiek. Bij besluit van 9 september 2015 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. De gezondheidstoestand van appellant is sinds de beoordeling in november 2014 weliswaar verslechterd en appellant heeft geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie, maar deze situatie is niet duurzaam geacht. Bij besluit van 25 april 2016 heeft het Uwv het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 27 februari 2017 het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is bij uitspraak van

13 december 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:4020) door de Raad bevestigd. Appellant heeft met een op 14 februari 2017 door het Uwv ontvangen formulier opnieuw een aanvraag ingediend om een Wajong-uitkering vanwege een verslechterde medische situatie. Daarbij heeft appellant meerdere stukken overgelegd, waaronder een medisch verslag van een MDL‑arts.

1.2.

Bij besluit van 4 april 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant geen recht heeft op een Wajong uitkering, omdat appellant weliswaar nu geen arbeidsvermogen heeft maar deze situatie niet duurzaam is. Aan dit besluit ligt een rapport en een aanvullend rapport van een verzekeringsarts van het Uwv ten grondslag. Bij beslissing op bezwaar van 11 oktober 2017 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen zorgvuldig was. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft uiteengezet dat appellant ernstige klachten heeft die hem invalideren maar dat er nog steeds behandelopties zijn. Voorts heeft overleg plaatsgevonden tussen de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep. Door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is naar het oordeel van de rechtbank overtuigend gemotiveerd dat het ontbreken van arbeidsvermogen bij appellant niet duurzaam moet worden geacht, waarbij zij van belang acht dat met de mogelijke behandeling verbetering in de belastbaarheid te verwachten is en deze verwachting wordt ondersteund door de beschikbare medische gegevens van de behandelaars.

3. Appellant heeft in hoger beroep de gronden van beroep gehandhaafd en verzoekt de Raad een deskundige te benoemen. Volgens appellant gaan de behandelend sector en de arbeidsdeskundige van de gemeente Amersfoort er van uit dat zijn beperkingen van blijvende aard zijn. Appellant vindt dat hij hiermee voldoende twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de conclusies in de rapporten van de verzekeringsgeneeskundigen en de arbeidsdeskundige. Toch gaan het Uwv en de rechtbank uit van deze rapporten, terwijl de verzekeringsgeneeskundigen en de arbeidsdeskundige niet onafhankelijk zijn. Volgens appellant is geen sprake van 'equality of arms', omdat hij niet de financiële middelen heeft om zelf een onafhankelijke deskundige in te schakelen. Ook wordt ten onrechte aangenomen dat hij arbeidsvermogen kan ontwikkelen in de toekomst omdat de mogelijkheid bestaat om een stoma te laten plaatsen. Appellant stelt dat hij geen stoma wil laten plaatsen en wijst op de in hoger beroep overgelegde brief van een MDL-arts.

3.1.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.

Op grond van artikel 1a:1, eerste lid, van de Wajong is jonggehandicapte, voor zover hier van belang, de ingezetene die op de dag waarop hij achttien jaar wordt als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft.;

4.1.2.

Op grond van het tweede lid wordt de ingezetene, bedoeld in het eerste lid, alsnog jonggehandicapte indien hij binnen vijf jaar na zijn achttiende jaar duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft, indien dit voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan hij beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek ondervond, op zijn achttiende jaar.

4.1.3.

Op grond van het vierde lid wordt onder duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie hebben de situatie verstaan waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.1.4.

Op grond van artikel 1a, eerste lid, van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (Schattingsbesluit) heeft de betrokkene geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) als hij (a) geen taak kan uitvoeren in een arbeidsorganisatie, (b) niet over basale werknemersvaardigheden beschikt, (c) niet aaneengesloten kan werken gedurende ten minste een periode van een uur, of (d) niet ten minste vier uur per dag belastbaar is. Het Uwv moet dus beoordelen of een betrokkene voldoet aan (ten minste) een van deze vier genoemde voorwaarden. Is dat het geval, dan heeft de betrokkene geen arbeidsvermogen. Voor een meer algemene beschrijving van het beoordelingskader wordt verwezen naar de uitspraken van de Raad van 5 april 2018 (ECLI:NL:CRVB:2018:1018) en 16 januari 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:286).

4.2.

In zijn uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2226) is de Raad, mede op grond van de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Korošec, tot het oordeel gekomen dat bij de beoordeling van de medische rapporten die zijn opgesteld door verzekeringsartsen van het Uwv, een beoordeling door de rechter in drie stappen als uitgangspunt wordt genomen, namelijk de zorgvuldigheid van de besluitvorming (stap 1), equality of arms (stap 2) en de inhoudelijke beoordeling (stap 3).

4.3.

Niet in geschil is dat appellant op 14 februari 2017 geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie (arbeidsvermogen) heeft. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het ontbreken van arbeidsvermogen duurzaam is.

4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen voldoende zorgvuldig is geweest. Ook bij de beoordeling van de duurzaamheid is door de verzekeringsartsen en door de arbeidsdeskundige zorgvuldig onderzoek verricht. De verzekeringsarts heeft de dossiergegevens bestudeerd, een anamnese afgenomen en informatie van de behandelend sector bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de bevindingen van de verzekeringsarts heroverwogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellant gezien tijdens de hoorzitting. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft dossierstudie verricht, appellant gesproken tijdens de hoorzitting en overleg gevoerd met de verzekeringsarts bezwaar en beroep. De verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige hebben voorts afdoende gemotiveerd hoe zij tot hun standpunt zijn gekomen.

4.5.

Appellant heeft voldoende ruimte gehad om stukken in te dienen ter onderbouwing van zijn standpunt dat sprake is van het duurzaam ontbreken van arbeidsvermogen. Onder de gedingstukken bevindt zich informatie van de behandelend MDL-arts en van de psycholoog van appellant. Deze stukken bevatten relevante informatie over de medische toestand van appellant omstreeks de datum in geding. Niet kan worden gezegd dat deze stukken naar hun aard niet geschikt zijn om twijfel te zaaien over de beoordeling door het Uwv van de duurzaamheid van het ontbreken van arbeidsvermogen. Ook overigens is niet aannemelijk dat medische formatie heeft ontbroken waardoor de rechter geen goed beeld van de beperkingen van appellant heeft kunnen krijgen. Nu geen sprake is van schending van het beginsel van 'equality of arms', kan het door appellant gestelde financiële onvermogen buiten beschouwing worden gelaten.

4.6.

Niet in geschil is dat appellant op de datum in geding geen arbeidsvermogen heeft in verband met de noodzaak om dagelijks langdurig zijn darmen te spoelen. Door dit frequente en langdurige toiletbezoek is appellant niet gedurende vier uur per dag belastbaar. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt dat geen sprake is van een progressief ziektebeeld en ook niet van een stabiel ziektebeeld zonder behandelmogelijkheden. Hoewel appellant op de datum in geding ernstige klachten heeft die hem invalideren zijn er nog steeds behandelopties. Hierbij wijst de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de in bezwaar overgelegde brief van de MDL-arts waarin staat dat als appellant een definitief stoma zou laten plaatsen het goed zou kunnen zijn dat zijn kwaliteit van leven belangrijk verbetert. Ook is behandeling mogelijk van de psychosociale component, waarbij appellant angstig is voor een dergelijke ingrijpende operatie. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat arbeidsvermogen ontbreekt vanwege de zeer beperkte belastbaarheid van appellant op medische gronden. Nu verbetering van de belastbaarheid in de toekomst niet is uitgesloten, wordt het ontbreken van arbeidsvermogen niet duurzaam geacht.

4.7.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende hebben onderbouwd dat bij appellant geen sprake is van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. Uit de brief van de MDL-arts van het MCV van 23 maart 2017 blijkt dat de plaatsing van een stoma door de behandelaars als een reële behandelmogelijkheid voor appellant wordt gezien. In de in hoger beroep overgelegde brief van 27 augustus 2018 van de MDL-arts van het UMC Utrecht wordt bovendien als tussenoplossing voor het plaatsen van een permanent ileostoma voorgesteld om over te gaan op antegraad spoelen over het colon met het aanleggen van een fistel of een PEG in het coecum (coecostomie). Dat het plaatsen van een stoma voor appellant zeer ernstige risico's meebrengt blijkt niet uit de voorhanden medische informatie en is door appellant niet met (medische) stukken onderbouwd. Dat appellant om hem moverende redenen deze voor hem ingrijpende behandeling niet wenst en dat de arts zonder deze operatie de prognose somber acht, doet niet af aan het bestaan van de behandelmogelijkheid. De verzekeringsartsen hebben dan ook terecht gesteld dat een concreet perspectief op verbetering bestaat waarbij het de keuze van appellant blijft of hij een dergelijke ingreep daadwerkelijk ondergaat. De mogelijkheid van een reële behandeling met perspectief op verbetering maakt dat geen sprake is van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen.

4.8.

Het feit dat aan appellant op grond van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) een voorziening is toegekend in verband met zijn frequente en langdurige toiletbezoek doet hier niet aan af. Uit de aan die toekenning ten grondslag liggende rapporten blijkt weliswaar dat de verwachting is dat de beperkingen van appellant van blijvende aard zijn, maar daaruit blijkt niet dat door de behandelaars voorgestelde behandelopties zijn meegewogen. Van belang is dat voor toekenning van een WMO-voorziening een ander toetsingskader geldt dan voor toekenning van een uitkering op grond van de Wajong.

4.9.

Het Uwv heeft overtuigend gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van een situatie waarin de mogelijkheden tot arbeidsparticipatie zich niet kunnen ontwikkelen. De in hoger beroep overgelegde (medische) stukken geven geen aanleiding voor twijfel aan dit standpunt van het Uwv. Gelet hierop is er geen reden om op deze grond een onafhankelijke deskundige te benoemen.

4.10.

De overwegingen in 4.4 tot en met 4.9 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

4.11.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers als voorzitter en J.T.H. Zimmerman en S.B. Smit-Colenbrander als leden, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2020.

(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) M. Géron