Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3145

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
21-12-2020
Zaaknummer
18/1375 PW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Svb heeft de onderzoeksmethode niet inzichtelijk gemaakt zodat niet is uit te sluiten dat gebruik is gemaakt van het tijdens het onrechtmatig onderzoek verkregen identiteitsnummers. De onderzoeksresultaten bieden wel een rechtmatige grondslag voor de intrekking en terugvordering zodat de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand gelaten worden. Verwezen wordt naar uitspraak 21 april 2010, ECLI:NL:CRVB:2020:1028. Appellanten hebben niet aannemelijk gemaakt dat appellant geen eigenaar was van de onroerende zaken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 1375 PW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 1 februari 2018, 17/1822 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante), beiden te [woonplaats]

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 24 november 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. M. Çankaya, advocaat, hoger beroep ingesteld en een nader stuk ingediend.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2020. De zitting heeft plaatsgevonden via een beeldverbinding. Daaraan hebben namens appellanten mr. Çankaya en [naam kleinzoon], kleinzoon van appellant, deelgenomen. Mr. K. Verbeek heeft daaraan deelgenomen als vertegenwoordiger van de Svb.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 1 april 2003 en appellante vanaf 1 maart 2006, in aanvulling op het hen toegekende ouderdomspensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet, bijstand in de vorm van een aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO-aanvulling), laatstelijk van de Svb op grond van de Participatiewet.

1.2.

De Svb voert vanaf 2013 gefaseerd een meerjarig onderzoek uit naar de rechtmatigheid van de AIO-aanvulling van alle AIO-gerechtigden. In het kader van dit onderzoek heeft de Svb onderzoek gedaan naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende AIO-aanvulling.

1.2.1.

In het kader van dit onderzoek heeft de Svb appellanten een formulier ‘Verblijf en vermogen buiten Nederland’ toegestuurd. Appellanten hebben dit formulier op 12 maart 2015 ingevuld en ondertekend geretourneerd. Op dit formulier hebben zij vermeld van plan te zijn in 2015 een nog niet bekende periode in Turkije te verblijven op een met name genoemd verblijfsadres. Appellanten hebben voorts aangegeven geen (mede-)eigenaar te zijn van de woning op het adres dat zij als verblijfsadres hebben opgegeven en geen grond of woning buiten Nederland te bezitten.

1.2.2.

Eveneens in het kader van het onderzoek hebben twee medewerkers van de Svb op
17 mei 2016, aangekondigd, een huisbezoek afgelegd op het woonadres van appellanten. Tijdens dat huisbezoek hebben appellanten verklaard dat appellant met zijn broers een stuk grond in Turkije van hun vader heeft geërfd en hebben de medewerkers foto’s gemaakt van de Turkse paspoorten van appellanten met daarin hun Turkse identiteitsnummers, ook genoemd: TC Kimliknummers (identiteitsnummers).

1.2.3.

Vervolgens heeft, in opdracht van de Svb en met tussenkomst van het Internationaal Bureau Fraude-informatie, het Bureau Attaché Sociale Zaken van de Nederlandse ambassade te Ankara (Bureau Attaché) een onderzoek ingesteld naar eventueel vermogen van appellanten in Turkije. De resultaten hiervan zijn neergelegd in een rapport van 23 augustus 2016. In dit rapport is, voor zover hier van belang, vermeld dat medewerkers van Bureau Attaché door middel van raadpleging van internetpagina’s hebben vastgesteld dat appellant bij de afdeling onroerende zaakbelasting (ozb) van de gemeente [gemeente] bekend is als belastingplichtige. Op 16 augustus 2016 heeft een medewerker een bezoek gebracht aan het kadaster van de gemeente [gemeente] en geconstateerd dat daarin op naam van appellant twee appartementen staan geregistreerd (kadastrale ligging X) en een perceel bouwgrond (kadastrale ligging Y, met een oppervlakte van 683,23 m2). Volgens de aangiften ozb staat het perceel bouwgrond sinds 1 januari 1989 op naam van appellant geregistreerd en zijn de appartementen op 20 juni 2011 geregistreerd op naam van appellant. De actuele waarde van de bouwgrond is door een makelaar uit de nabij gelegen gemeente Kuşadasi op 18 augustus 2016 getaxeerd op € 52.000,-. De appartementen zijn niet getaxeerd. Voor de waarde daarvan is uitgegaan van de waarde van de appartementen die op de belastingaangiften voor 2016 staan vermeld van totaal 72.704 TL (omgerekend € 21.982,-). De resultaten van het onderzoek van de medewerkers van de Svb zijn neergelegd in handhavingsrapportages van 18 mei 2016 en 25 oktober 2016.

1.3.

De Svb heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van
11 november 2016 het recht op AIO-aanvulling in te trekken over de periode van 1 april 2003 tot en met 16 augustus 2016. Bij afzonderlijk besluit van 11 november 2016 heeft de Svb de over deze periode gemaakte kosten van AIO-aanvulling van appellanten teruggevorderd tot een bedrag van € 103.945,18.

1.4.

De Svb heeft bij besluit van 24 mei 2017 (bestreden besluit) de bezwaren van appellanten tegen de besluiten van 11 november 2016 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft de Svb ten grondslag gelegd dat appellanten de op hen rustende inlichtingenverplichting hebben geschonden door er geen melding van te maken dat appellant de beschikking heeft over onroerende zaken in Turkije en dat, wegens het ontbreken van gegevens over de waarde van de onroerende zaken in de periode in geding, het recht op bijstand niet is vast te stellen.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 1 april 2003 tot en met 16 augustus 2016, de periode waarover de AIO-aanvulling van appellanten is ingetrokken.

Rechtmatigheid van het bestreden besluit

4.2.

Niet in geschil is dat appellant in de te beoordelen periode eigenaar was van de onder 1.2.3 vermelde onroerende zaken en evenmin dat de waarde daarvan de waarde is die onder 1.2.3 is vermeld. Vaststaat dat appellanten het bezit daarvan, in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting, niet onverwijld uit eigen beweging aan de Svb hebben gemeld.

4.3.

Appellanten hebben aangevoerd, voor zover nu nog van belang, dat de resultaten van het onderzoek in Turkije onrechtmatig zijn verkregen en daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen worden gelegd. Het huisbezoek was onrechtmatig, zodat alle resultaten daarvan, dus ook de tijdens het huisbezoek verkregen identiteitsnummers, niet mogen worden gebruikt. Appellanten betwisten de stelling van de Svb dat bij het onderzoek in Turkije gebruik is gemaakt van persoonsgegevens van appellant en de namen van zijn vader (hierna tezamen: persoonsgegevens). Dit blijkt volgens appellanten niet uit de gedingstukken.

4.4.

Niet in geschil is dat het huisbezoek onrechtmatig was, omdat geen redelijke grond voor een huisbezoek bestond en aan appellanten daarom ten onrechte bij het huisbezoek is meegedeeld dat het weigeren van toestemming voor het huisbezoek gevolgen zou hebben voor de bijstand.

4.5.

De Svb stelt dat de resultaten van het onderzoek in Turkije niettemin niet onrechtmatig zijn verkregen, omdat het onderzoek is geschied met behulp van de persoonsgegevens en niet met behulp van het tijdens het huisbezoek verkregen identiteitsnummer van appellant. Deze hulpmiddelen zijn volgens de Svb verkregen uit het Suwinet en doorgegeven aan het Bureau Attaché. Appellanten betwisten deze gang van zaken, gelet op het volgende op goede gronden.

4.6.

Aan een onderzoeksrapport dat als basis dient voor bestuurlijke besluitvorming dient volgens vaste rechtspraak de eis te worden gesteld dat inzichtelijk wordt gemaakt waarop de getrokken conclusies zijn gebaseerd en langs welke weg vervolgens die conclusies zijn bereikt (uitspraak van 22 oktober 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO1702). Aan die eis is niet voldaan.

4.7.

Niet in geschil is dat medewerkers van het Bureau Attaché, in het kader van een vermogensonderzoek als hier aan de orde, inzage kunnen verkrijgen in de registratie van een betrokkene als belastingplichtige voor de gemeentelijke ozb met behulp van het identiteitsnummer van de betrokkene dan wel met behulp van de persoonsgegevens.

4.8.

De gedingstukken bieden echter geen steun voor de stelling van de Svb. Dat de door de Svb bedoelde gegevens afkomstig zijn uit Suwinet, blijkt niet uit het overzicht van gegevens uit Suwinet van 12 mei 2016 en ook niet uit de andere gedingstukken. Dat gebruik is gemaakt van deze gegevens blijkt ook niet uit de onder 1.2 vermelde handhavingsrapportages of uit de rapportage van het Bureau Attaché van 23 augustus 2016. In laatstbedoelde rapportage staan onder “persoonsgegevens betrokkene” slechts de naam, voornaam en het BSN-nummer van appellant, en niet is vermeld met welke van de twee onder 4.7 genoemde hulpmiddelen toegang is verkregen tot de internetpagina van de Turkse belastingdienst. Verder bevindt de brief waarmee de Svb aan het Bureau Attaché opdracht heeft gegeven om het vermogensonderzoek in Turkije uit te voeren zich niet onder de gedingstukken. Hierdoor kan ook langs die weg geen duidelijkheid worden verkregen over de gegevens met behulp waarvan dat onderzoek heeft plaatsgevonden. Gelet op het voorgaande heeft de Svb de onderzoeksmethode niet inzichtelijk gemaakt. De stelling van de Svb dat inzage in de Turkse gegevens is verkregen met behulp van de persoonsgegevens van appellant houdt dan ook geen stand.

4.9.

Gelet op het voorgaande is niet uit te sluiten dat bij het onderzoek naar vermogen van appellanten in Turkije, anders dan de Svb stelt, gebruik is gemaakt van de tijdens het huisbezoek van 17 mei 2016 verkregen identiteitsnummers, wat, gelet op 4.4, betekent dat gebruik is gemaakt van een onrechtmatig verkregen hulpmiddel. Aangenomen moet daarom worden dat het bestreden besluit in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet zorgvuldig is voorbereid. De onder 4.3 verwoorde beroepsgrond slaagt dan ook. Vergelijk de uitspraak van 21 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1028. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal daarom worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Aansluitend moet worden bezien tot welk gevolg dit moet leiden voor de besluitvorming.

Vervolg

4.10.

Anders dan appellanten hebben aangevoerd en ondanks wat onder 4.9 is overwogen, bieden de onderzoeksresultaten een rechtmatige grondslag voor de in de besluiten van
11 november 2016 vervatte intrekking en terugvordering. Dit is aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand te laten. Dit berust op de volgende overwegingen.

4.11.

In voormelde uitspraak van 21 april 2020 heeft de Raad (zie de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 van die uitspraak) uiteengezet waarom in een geval zoals hier aan de orde, de onderzoeksresultaten niet uitgesloten behoeven te worden bij verdere besluitvorming. Kort samengevat is de reden hiervoor onder meer dat deze resultaten zelf niet zijn verkregen bij het onrechtmatig huisbezoek en dat zij langs andere wegen rechtmatig hadden kunnen worden verkregen. Het gebruik van de met behulp van de identiteitsnummers verkregen onderzoeksresultaten druist onder die omstandigheden niet zozeer in tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat het gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. Geen aanleiding bestaat om in deze zaak tot een ander oordeel te komen.

4.12.

Uit 4.11 volgt dat de onderzoeksresultaten na de vernietiging van het bestreden besluit bij de verdere besluitvorming wel in aanmerking kunnen worden genomen.

4.13.

Appellanten hebben aangevoerd dat de onder 1.2.3 vermelde onroerende zaken, die in de periode in geding op naam van appellant stonden geregistreerd, niet zijn eigendom waren, althans dat hij daarover niet kon beschikken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

4.14.

Indien onroerende zaken in een officieel eigendomsregister op naam van een betrokkene staan genoteerd, is volgens vaste rechtspraak (uitspraak van 1 april 2014, ECLI:CRVB:2014:1106) de vooronderstelling gerechtvaardigd dat deze zaken een bestanddeel vormen van het vermogen waarover hij beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat het tegendeel het geval is.

4.15.

Appellanten zijn hierin niet geslaagd. Zij hebben geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat appellant geen eigenaar was van de onder 1.2.3 vermelde onroerende zaken. De door appellanten in hoger beroep overgelegde overeenkomst van 20 december 1983, opgemaakt tussen appellant en twee zonen van appellanten, is voorts niet toereikend voor de conclusie dat appellant niet over alle onder 1.2.3 vermelde onroerende zaken kon beschikken. Dit geldt alleen al nu deze overeenkomst enkel ziet op onderlinge afspraken tussen appellant en de zonen over de uitoefening van eigendomsrechten en deze afspraken bovendien alleen betrekking hadden over de onder 1.2.3 vermelde appartementen, gelegen op perceel X, en niet op de bouwgrond, gelegen op perceel Y, waarvan appellant ook eigenaar was. In die overeenkomst is slechts één perceel beschreven. Van perceel Y wordt daarin geen melding gemaakt. Anders dan appellanten hebben betoogd, is niet aannemelijk geworden dat dit perceel naderhand is gesplitst in twee percelen

4.16.

Gelet op 4.9 slaagt het hoger beroep en zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd. Het beroep zal gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal eveneens worden vernietigd, maar gelet op 4.10 tot en met 4.15 zullen de rechtsgevolgen ervan in stand worden gelaten.

5. Aanleiding bestaat om de Svb te veroordelen in de kosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 1.050,- in beroep en € 1.050,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.100,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 mei 2017;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

  • -

    veroordeelt de Svb in de kosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 2.100,-;

  • -

    bepaalt dat de Svb aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door F. Hoogendijk als voorzitter en E.C.G. Okhuizen en

K.M.P. Jacobs als leden, in tegenwoordigheid van I.A. Siskina als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2020.

(getekend) F. Hoogendijk

De griffier is verhinderd te ondertekenen.