Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3133

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
19/611 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht WW- en ZW-uitkering geweigerd en teruggevorderd. Het Uwv heeft aannemelijk gemaakt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 611 WW

Datum uitspraak: 10 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 december 2018, 18/2782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.R. Ali, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 1 april 2020 heeft mr. A. Posset zich als opvolgend gemachtigde gesteld.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Namens appellante is mr. Posset verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft op 11 mei 2017 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Volgens het aanvraagformulier ging het daarbij om een einde van een dienstverband met werkgever [werkgever] . [werkgever] is de eigenaar van een eenmanszaak met de naam [naam werkgever] . Het Uwv heeft aan appellante met ingang van 1 juni 2017 een WW-uitkering toegekend op basis van 40 gewerkte uren per week.

1.2.

Op 5 juli 2017 heeft appellante zich ziek gemeld. In verband daarmee is aan haar met ingang van 4 oktober 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.3.

Naar aanleiding van mededelingen die appellante bij de ziekmelding heeft gedaan, heeft het Uwv een onderzoek verricht naar haar dienstverband met [naam werkgever] . In verband daarmee is appellante op 9 oktober 2017 gehoord. De bevindingen uit het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 22 december 2017 (onderzoeksrapport). Het Uwv heeft geconcludeerd dat sprake is geweest van een gefingeerd dienstverband van 1 november 2016 tot en met 10 mei 2017.

1.4.

Bij besluit van 8 februari 2018 (besluit 1) heeft het Uwv de WW-uitkering van appellante met ingang van 1 juni 2017 beëindigd. Volgens het Uwv heeft appellante geen recht op WW‑uitkering omdat zij niet voor [naam werkgever] heeft gewerkt.

1.5.

Bij besluit van 14 februari 2018 (besluit 2) heeft het Uwv de ZW-uitkering van appellante met ingang van 4 oktober 2017 ingetrokken omdat zij voorafgaand aan haar eerste ziektedag geen recht had op een WW-uitkering en daarom niet verzekerd was voor de ZW.

1.6.

Bij besluit van 19 februari 2018 (besluit 3) heeft het Uwv de onverschuldigd betaalde WW- en ZW-uitkering in de periode van 1 juni 2017 tot en met 31 januari 2018 van in totaal € 17.066,16 van appellante teruggevorderd.

1.7.

Bij besluit van 11 juni 2018 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten 1 tot en met 3 ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en rechtspraak van de Hoge Raad heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante niet heeft gewerkt bij [naam werkgever] en dat geen sprake was van een dienstverband. Daartoe heeft het Uwv overwogen dat appellante tegenover opsporingsambtenaren van het Uwv heeft verklaard dat haar werkzaamheden bestonden uit: routes plannen, telefoon opnemen, administratie, de jongens aansturen en opdrachten aannemen; appellante was leidinggevende. Uit het onderzoeksrapport blijkt echter dat verschillende opdrachtgevers van [naam werkgever] appellante niet kenden en dat zij nooit met een vrouwelijke medewerker van het bedrijf contact hebben gehad. De opdrachtgevers hebben ook verklaard dat zij zelf de routes voor [naam werkgever] inplanden en dat dit niet door iemand van het bedrijf werd gedaan. Verder komt de naam van appellante niet voor in facturen van [naam werkgever] en ook niet in e-mailcorrespondentie tussen de betreffende opdrachtgevers en [naam werkgever] . Ook wist degene die de administratie voor [naam werkgever] verrichtte niet precies wat appellante voor het bedrijf deed. Hij meende dat appellante een aantal maanden meeliep met de intentie om het bedrijf samen met haar echtgenoot na een half jaar over te nemen. Appellante heeft er verder geen blijk van gegeven dat zij precies wist welke diensten [naam werkgever] bood, welke producten er werden vervoerd of wanneer er goederen werden vervoerd. Ten slotte is gebleken dat appellante gedurende het dienstverband, op maandag tot en met vrijdag tussen 8.30 uur en 18.00 uur, tachtig pintransacties heeft gedaan in [gemeente 1] , terwijl zij werkzaam zou zijn in [gemeente 2] .

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake was van een dienstbetrekking tussen appellante en [naam werkgever] . De rechtbank heeft daarbij vooropgesteld dat appellante in het onderzoek geen enkel detail over de aard en de inhoud van haar werk heeft gegeven. Zo kon zij haar werkadres in [gemeente 2] niet noemen. Ook heeft zij geen details kunnen en willen geven over de contacten die zij zou hebben gehad in haar werk. Dat geldt zowel voor namen van mensen aan wie zij leiding zou hebben gegeven als voor externe contacten. Appellante zou de enige werknemer van het bedrijf zijn geweest, maar geen van de gehoorde opdrachtgevers kent appellante of een vrouwelijke medewerker. Over de werkzaamheden die appellante stelt te hebben verricht, zoals het plannen van routes, wordt door de opdrachtgevers aangegeven dat zij die zelf uitvoerden. De rechtbank heeft verder gewezen op tegenstrijdige verklaringen die appellante heeft afgelegd over de wijze waarop het dienstverband beëindigd zou zijn. Verder geven administratieve en financiële gegevens, waaronder de gegevens over de tijdens werkperiodes met de pas van appellante uitgevoerde pintransacties en de late aanmelding in de polisadministratie van de loonaangifte in april 2017 reden om te twijfelen aan het dienstverband tussen appellante en [naam werkgever] . De rechtbank heeft ten slotte geoordeeld dat appellante niet met objectief en verifieerbaar tegenbewijs aannemelijk heeft gemaakt dat het standpunt van het Uwv onjuist is.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat wel sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking. Appellante heeft erop gewezen dat zij beschikt over een schriftelijke arbeidsovereenkomst en loonstroken. Ook heeft de werkgever voldoende omzet gerealiseerd en is aan haar daadwerkelijk loon betaald waarvoor de werkgever loonbelasting heeft afgedragen. Uit de verklaringen van de opdrachtgevers kan verder niet worden geconcludeerd dat appellante niet werkzaam was bij [naam werkgever] . Volgens appellante werkten deze opdrachtgevers op hun eigen locatie en niet op die van de werkgever. De verhuurder van het pand waarin de werkgever huurt, komt wel sporadisch op de locatie, en bevestigt dat er een computer, een bureautafel en een stoel aanwezig is. Hetzelfde geldt voor de medehuurder. Het onderzoeksrapport biedt volgens appellante dan ook geen enkel aanknopingspunt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat zij niet voldoet aan de definitie van werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Appellante heeft verder aangevoerd dat zij ten tijde van het verhoor op 9 oktober 2017 ernstige zorgen had over de gezondheidssituatie van haar dochters. Zij heeft hierdoor tijdens het verhoor extra stress ervaren en klapte dicht. Ter onderbouwing van haar standpunten heeft appellante een beëindigingsovereenkomst, loonstroken, getuigenverklaringen, medische stukken over haar dochters en een huurovereenkomst van [bedrijf] in het geding gebracht.

3.2

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv heeft gesteld dat het genereren van voldoende omzet door [naam werkgever] niet afdoet aan het feit dat aannemelijk is gemaakt dat tussen appellante en [werkgever] geen dienstbetrekking heeft bestaan. Het Uwv heeft daarbij gewezen op een aantal vragen die zijn gerezen bij de totstandkoming en uitvoering van de gestelde arbeidsovereenkomst.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In geschil is de vraag of tussen appellante en [naam werkgever] sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking van 1 november 2016 tot en met 10 mei 2017, op grond waarvan zij verzekerd was voor de werknemersverzekeringen.

4.2.1.

Op grond van artikel 3, eerste lid, van de WW is werknemer de natuurlijke persoon, jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd, die in privaatrechtelijke of publiekrechtelijke dienstbetrekking staat.

4.2.2.

Op grond van artikel 7, aanhef en onder a, van de ZW wordt voor de toepassing van die wet als werknemer beschouwd degene die krachtens verplichte verzekering op grond van de WW uitkering ontvangt.

4.2.3.

Volgens vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Er is dan sprake van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het BW.

4.2.4.

Bij besluiten tot intrekking en terugvordering van socialezekerheidsuitkeringen, zoals hier aan de orde, gaat het om belastende besluiten, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren (vergelijk de uitspraak van 17 mei 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:1479). Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het Uwv feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen privaatrechtelijke dienstbetrekking is geweest tussen appellante en [naam werkgever] . Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde hier van belang geen dienstbetrekking in de zin van de WW en de ZW heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.3.

De stelling van appellante dat zij als gevolg van ernstige stress vanwege de medische situatie van haar kinderen ‘dichtklapte’ tijdens het gehoor met het Uwv, heeft zij onvoldoende onderbouwd. De medische stukken die zij heeft ingebracht gaan over haar kinderen en geven daarmee geen inzicht in de gemoedstoestand van appellante zelf tijdens het gehoor. Evenmin kan dit uit het gespreksverslag worden afgeleid. Er bestaat daarom geen aanleiding om appellante niet te houden aan de verklaring over haar werkzaamheden die zij op 9 oktober 2017 heeft afgelegd.

4.4.

De beroepsgrond dat appellante wel werkzaamheden heeft verricht voor [naam werkgever] , slaagt evenmin. Hiertoe is het volgende van belang.

4.4.1.

Op 9 oktober 2017 heeft appellante verklaard over het soort werkzaamheden dat zij voor [naam werkgever] verrichtte, maar deze verklaring is door geen van de bij het bedrijf betrokken personen bevestigd. De bedrijven waarvoor appellante de planning van het transport zou hebben geregeld en die daarover zijn bevraagd, ontkennen dat appellante voor hen werkzaamheden heeft verricht. Ook hebben deze bedrijven in hun contacten met [naam werkgever] nooit contact gehad met een vrouw. De in hoger beroep overgelegde verklaringen van appellante, [werkgever] en de medehuurder van het bedrijfspand zijn zeer summier en bevatten geen objectieve en verifieerbare gegevens over de verrichte werkzaamheden. Deze verklaringen bieden daarom geen aanknopingspunten om het standpunt van het Uwv dat appellante niet heeft gewerkt voor [naam werkgever] voor onjuist te houden.

4.4.2.

Appellante heeft tijdens het gesprek met het Uwv ook geen duidelijkheid kunnen geven over de plek waar zij haar werkzaamheden heeft verricht. Daar komt bij dat [naam werkgever] pas met ingang van 1 december 2016 is gevestigd aan het adres waarvan appellante stelt dat zij er vanaf november 2016 heeft gewerkt. Verder wordt op de loonstroken van januari 2017 tot en met mei 2017 als vestigingsplaats van [naam werkgever] een adres in [gemeente 3] vermeld.

4.4.3.

Verder is van belang dat er, in de periode dat de arbeidsovereenkomst zou hebben bestaan, overdag, tijdens de gebruikelijke werktijden en op momenten waarop zij zich dus in [gemeente 2] op het werk zou hebben moeten bevinden, meer dan tachtig pintransacties met de betaalpas van appellante zijn gedaan in [gemeente 1] . Appellante heeft daarvoor geen aannemelijke verklaring gegeven.

4.4.4.

Evenmin heeft appellante opheldering kunnen geven over inconsistenties in de gestelde arbeidsovereenkomst en de in hoger beroep overgelegde loonstroken en de beëindigingsovereenkomst. In het dossier bevinden zich twee arbeidsovereenkomsten van appellante met [naam werkgever] . Bij de eerste overeenkomst, ingaande op 1 november 2016, voor onbepaalde tijd, is het bruto maandsalaris bepaald op € 2.500,-. Deze overeenkomst is per 1 januari 2017 vervangen door een overigens gelijkluidende arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, waarbij het bruto maandsalaris is verhoogd naar € 3.342,-. Om welke reden tot deze verhoging is overgegaan, dan wel hoe dit salaris tot stand is gekomen, heeft appellante niet kunnen toelichten. Ten aanzien van de gang van zaken rond het einde van het dienstverband heeft appellante een aantal verschillende lezingen gegeven. Zo zou er een beëindigingsovereenkomst zijn, ingegeven door verschillen van inzicht over de uitvoering van de werkzaamheden, dan wel zouden er geen stukken zijn opgemaakt omdat partijen in goed overleg uit elkaar gingen, dan wel werd de werkdruk appellante te veel en is om die reden besloten uit elkaar te gaan. In hoger beroep heeft appellante uiteindelijk een beëindigingsovereenkomst overgelegd. Deze is echter niet door haar ondertekend en bevat geen ingangsdatum voor de beëindiging. Ook op vragen omtrent de loonstroken heeft de gemachtigde van appellante ter zitting geen antwoord kunnen geven. Zo kon geen opheldering worden gegeven over de op de loonstroken genoemde pensioenpremie, de bijdrage voor de Stichting O&O-fonds Beroepsvervoer, de inhouding WAO/Whk en de onkostenvergoeding. Ook deze in hoger beroep ingebrachte stukken geven daarom geen aanleiding om het standpunt van het Uwv voor onjuist te houden.

4.5.

De rechtbank wordt dan ook gevolgd in het oordeel over het bestreden besluit dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat geen sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen appellante en [naam werkgever] . De onjuistheid hiervan is door appellante niet met tegenbewijs aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat appellante geen recht had op een uitkering op grond van de WW en ZW.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J.P.M. Zeijen en J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van H. Spaargaren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2020.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) H. Spaargaren

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.