Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3122

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
18/6415 AOW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:9008, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderdomspensioen terecht herzien met terugwerkende kracht en teruggevorderd. De Svb heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat appellant niet aangemerkt kan worden als ingezetene van Nederland en daarmee als verzekerde voor de AOW. Appellant heeft de door de Svb uit de overgelegde documenten getrokken conclusies onvoldoende weerlegd. Geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6415 AOW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

5 november 2018, 18/1210 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

Datum uitspraak: 10 december 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. A. de Raad, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 november 2020. Namens appellant is mr. B.J. Manspeaker verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. K. Verbeek, die via videobellen heeft deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1. Aan appellant is, met een besluit van 18 oktober 2013, een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend met ingang van 22 december 2013, waarop een korting van 24% is toegepast wegens, afgerond, twaalf niet verzekerde jaren. Hierbij is aangenomen dat appellant alleenstaand is in de zin van de AOW. Naar aanleiding van een signaal van de belastingdienst is de Svb in september 2014 een onderzoek gestart naar de vraag of appellant wel terecht in bepaalde jaren als ingezetene van Nederland is aangemerkt. Ook is bij het onderzoek betrokken de vraag of appellant samenwoonde. Nadat de uitbetaling van het ouderdomspensioen per oktober 2016 gedeeltelijk was geschorst, is appellant bij besluit van 14 juli 2017 gemeld dat zijn ouderdomspensioen wordt herzien met ingang van 22 december 2013. Hij heeft recht op een ouderdomspensioen waarop een korting van 42% wordt toegepast. Ook wordt hij vanaf deze datum aangemerkt als gehuwd of samenwonend. Met een besluit van eveneens 14 juli 2017 is van appellant een bedrag van € 14.149,38 teruggevorderd. Bij besluit van 17 januari 2018 (bestreden besluit) is het bezwaar tegen de besluiten van 14 juli 2017 ongegrond verklaard voor wat betreft de vaststelling van de niet‑verzekerde periodes, gegrond voor wat betreft de vaststelling van het samenwonend zijn en gegrond voor wat betreft de hoogte van de terugvordering. Deze terugvordering is nu vastgesteld op € 7.063,04.

2. De rechtbank heeft in een tussenuitspraak van 14 augustus 2018 geoordeeld dat de Svb terecht heeft aangenomen dat appellant in de periode van 12 maart 2003 tot en met 14 februari 2012 niet verzekerd was voor de AOW. Met betrekking tot de periode 30 september 2002 tot 12 maart 2003 oordeelde de rechtbank dat het bestreden besluit vooralsnog niet gedragen kon worden door de motivering. De rechtbank heeft de Svb in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen. Met een brief van 23 augustus 2018, met bijlagen, heeft de Svb nader gemotiveerd en onderbouwd waarom appellant in de periode 30 september 2002 tot 12 maart 2003 niet verzekerd was voor de AOW. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat hiermee het gebrek in het bestreden besluit was hersteld. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat ook in deze periode appellant niet verzekerd was voor de AOW. Het beroep wordt door de rechtbank gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen worden in stand gelaten. Ook geeft de rechtbank bepalingen over het griffierecht en de proceskosten.

3. In hoger beroep stelt appellant dat hij de hele periode in geding verzekerd is geweest voor de AOW. De Svb verzoekt de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

In geding is de vraag of de Svb terecht en op juiste gronden heeft aangenomen dat appellant in de periode 30 september 2002 tot en met 14 februari 2012 niet verzekerd was voor de AOW en om die reden het recht op ouderdomspensioen heeft herzien met terugwerkende kracht. Ook is in geding of de Svb terecht het dan teveel betaalde ouderdomspensioen in zijn geheel heeft teruggevorderd.

Herziening

4.2.1.

Het besluit tot herziening van het ouderdomspensioen is een voor appellant belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening is voldaan in beginsel op de Svb. Dit betekent dat de Svb de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.

4.2.2.

Voor de periode in geding heeft de Svb bij nader inzien geconcludeerd dat appellant niet in Nederland, maar in Suriname woonachtig was. Daarbij wijst de Svb er onder andere op dat appellant op 19 september 2002 door de kantonrechter is benoemd tot tijdelijk voogd van [naam] . In een uitspraak van de Raad van 15 mei 2008 is, in een geschil over de kinderbijslag ten behoeve van [naam] voor zijn moeder, op basis van een verklaring van de moeder ervan uitgegaan dat [naam] van 30 september 2002 tot 3 september 2003 en vanaf 7 januari 2004 in Suriname deel heeft uitgemaakt van het huishouden van appellant. De kinderbijslag die door de moeder werd doorbetaald aan appellant als verzorger, is door hem in Suriname geïncasseerd. Appellant stelt dat niet hij, maar zijn vader de verzorger van [naam] was en dat hijzelf maar af en toe in Suriname was. Voor deze stelling heeft hij echter geen bewijzen aangeleverd. Uit informatie van de Nederlandse ambassade in Suriname blijkt dat appellant op 22 februari 2009 een permanente verblijfsvergunning voor dat land heeft ontvangen. Om hiervoor in aanmerking te komen diende appellant in ieder geval geruime tijd daarvoor legaal hoofdverblijf in Suriname te hebben gehad. Appellant heeft bevestigd dat hij vanaf 12 maart 2003 in Suriname stond ingeschreven en dat hij daar vergunningen tot verblijf voor bepaalde tijd heeft gehad, maar stelt dat hij deze slechts heeft aangevraagd opdat zijn zoon ook een verblijfsvergunning zou krijgen en in Suriname onderwijs zou kunnen volgen. Feitelijk zou hij vooral in Nederland hebben verbleven. Appellant heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd en de Raad gaat hieraan dan ook voorbij. Verder blijkt dat appellant vanaf mei 2010 –al dan niet opnieuw- formeel is ingeschreven in Suriname en op 10 september 2008 aldaar een samenlevingscontract heeft gesloten.

4.2.3.

Uit de overzichten van het gebruik van zijn creditcard blijkt dat in de periode januari 2009 tot en met september 2014 deze kaart in de overgrote meerderheid van de gevallen in Suriname is gebruikt en slechts in een enkel geval in Nederland. Volgens appellant heeft hij zijn kaart aan een zoon in Suriname ter beschikking gesteld en gebruikt hij deze zelf nooit. Volgens de creditkaartmaatschappij is er maar één kaart uitgegeven op naam van appellant en dient hij zich, bij gebruik van de kaart, te legitimeren. Deze mededeling wordt door appellant niet weersproken en evenmin heeft hij zijn eigen stelling verder onderbouwd met concrete gegevens. Appellant heeft van zijn kant geen documenten overgelegd waaruit blijkt van regelmatige geldopnames of pintransacties in Nederland vanaf september 2002. Hij heeft ook geen andere stukken overgelegd waaruit bleek dat hij feitelijk in Nederland verbleef.

4.2.4.

Appellant ontving in de periode in geding een uitkering op grond van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op deze arbeidsongeschiktheidsuitkering zijn de premies volksverzekeringen ingehouden. Dit is echter geen grondslag om verzekering voor de AOW aan te nemen, nu premiebetaling niet leidt tot verzekering.

4.2.5.

Appellant stelt dat hij in de periode tot 25 maart 2009 in Nederland ingeschreven heeft gestaan op verschillende adressen, als woonadres. Vanaf deze datum tot 15 februari 2012 heeft hij niet in Nederland ingeschreven gestaan en vanaf 15 februari 2012 met een briefadres. Volgens appellant woonde hij wel in Nederland in deze periodes en verbleef hij bij familie en vrienden, of leidde hij een zwervend bestaan. Uit de gegevens blijkt inderdaad dat appellant in Nederland ingeschreven stond met een woonadres tot 25 maart 2009 en met een briefadres vanaf 15 februari 2012. Hoewel het ingeschreven staan op een woonadres een indicatie kan zijn dat iemand ook feitelijk in Nederland woont, is dit niet op zichzelf doorslaggevend. Bij die beoordeling spelen alle omstandigheden van het geval een rol.

4.2.6.

Uit 4.2.1 tot en met 4.2.5 wordt geconcludeerd, alles in aanmerking genomen, dat de Svb voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant in de periode in geding niet aangemerkt kan worden als ingezetene van Nederland en daarmee als verzekerde voor de AOW. Appellant heeft de door de Svb uit de overgelegde documenten getrokken conclusies onvoldoende weerlegd. De Svb heeft het ouderdomspensioen dan ook terecht herzien.

4.2.7.

Dit ouderdomspensioen is met volledig terugwerkende kracht herzien. De Svb heeft beleid ontwikkeld ten aanzien van het terugkomen van besluiten ten nadele van een betrokkene met terugwerkende kracht, waarbij rekening is gehouden met algemene rechtsbeginselen zoals het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel. Uitgangspunt van dit beleid is dat de Svb niet tot herziening of intrekking met volledig terugwerkende kracht overgaat als de betrokkene al zijn verplichtingen is nagekomen en hij voorts niet heeft kunnen onderkennen dat de uitkering ten onrechte werd verleend. Uit het voorgaande volgt dat niet gezegd kan worden dat appellant al zijn verplichtingen is nagekomen. Hij heeft bij zijn aanvraag bijvoorbeeld geen melding gemaakt van zijn verblijf in Suriname als voogd en verzorger van [naam] en het aldaar ingeschreven staan in het bevolkingsregister.

Terugvordering

4.3.

Ten aanzien van de terugvordering moet voorop worden gesteld dat de Svb gehouden is tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde ouderdomspensioen. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hiervoor bedoeld kunnen ingevolge vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de – financiële en of sociale – gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Appellant heeft op dit punt niets aangevoerd.

Conclusie

4.4.

Uit 4.2.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

Proceskosten

5. Voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.A.H. van Dalen-van Bekkum, in tegenwoordigheid van E.M. Welling als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2020.

(getekend) M.A.H. van Dalen-van Bekkum

(getekend) E.M. Welling

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde (volksverzekeringen).