Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3119

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
18/2782 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat het besluit van 26 november 2016, waarbij het ouderdomspensioen van appellante is ingetrokken, in rechte vaststaat. Op grond van artikel 24 van de AOW was de Svb gehouden tot het terugvorderen van het ten onrechte betaalde ouderdomspensioen van appellante. Van een dringende reden om van de terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de AOW is niet gebleken. De Raad is van oordeel dat appellante geen ingezetene van Nederland is geweest en zij geen verzekerde jaren voor de AOW heeft opgebouwd. Appellante heeft daarom geen recht op een ouderdomspensioen. Dat dit wel aan haar is toegekend, is veroorzaakt door schending van de op appellante rustende inlichtingenverplichting. Omdat niet kan worden gezegd dat elke verwijtbaarheid ontbreekt, was de Svb in beginsel verplicht een boete op te leggen. De Raad is van oordeel dat de Svb in het bestreden besluit in voldoende mate rekening heeft gehouden met de situatie van appellante door van een lager benadelingsbedrag en verminderde verwijtbaarheid uit te gaan. Er is geen sprake van een korting op het ouderdomspensioen van [naam voormalig partner], maar van het ontstaan van andere rechten bij het bereiken van de AOW‑gerechtigde leeftijd van appellante. Ook is er een wijziging opgetreden door de verandering van de eerder opgegeven leefvorm. De besluitvorming hierover is in rechte komen vast te staan. Hoewel appellante heeft aangevoerd dat haar financiële situatie verder achteruit is gegaan, heeft zij niet onderbouwd gesteld op grond waarvan de Raad tot een ander oordeel zou moeten komen dan de rechtbank. Deze beroepsgrond van appellante slaagt daarom niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2782 AOW

Datum uitspraak: 10 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

16 april 2018, 18/202 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats], Oostenrijk (appellante)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Appellante heeft telefonisch deelgenomen. Op verzoek van appellante heeft ook [naam voormalig partner] namens haar telefonisch deelgenomen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A. Marijnissen, die via videobellen heeft deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante, die [in] 1948 in [plaatsnaam], Oostenrijk, is geboren, heeft een pensioen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW) aangevraagd op 19 juni 2013. Zij heeft daarbij aangegeven in Nederland te wonen. Aan haar is vervolgens met ingang van

24 augustus 2013 een ouderdomspensioen toegekend ter hoogte van 34% van het maximale bedrag voor een gehuwde of samenwonende rechthebbende. De Svb heeft kenbaar gemaakt er hierbij vanuit te gaan dat appellante sinds 25 maart 1997 tot aan haar AOW-gerechtigde leeftijd in Nederland heeft gewoond. De Svb ging ervan uit dat appellante samenwoonde met [naam voormalig partner].

1.2.

Met een brief, door de Svb ontvangen op 3 december 2014, heeft appellante haar situatie uitgelegd. Zij heeft aangegeven vanuit Oostenrijk een minimumpensioen te ontvangen en in Oostenrijk te wonen omdat zij voor haar moeder heeft gezorgd tot haar overlijden en daarna haar dochter heeft bijgestaan. Nadat appellante zich op 2 mei 2016 opnieuw tot de Svb had gewend omtrent haar (woon)situatie, is de Svb een onderzoek gestart naar haar recht op een ouderdomspensioen. Dit heeft geleid tot een besluit van 26 november 2016, waarin het recht van appellante op een ouderdomspensioen is ingetrokken per 24 augustus 2013. Appellante heeft geen recht gehad op een ouderdomspensioen, omdat zij hiervoor niet verzekerd is geweest.

1.3.

Bij besluit van 12 januari 2017 heeft de Svb het teveel betaalde ouderdomspensioen over de periode augustus 2013 tot oktober 2016 ten bedrage van € 10.833,34 van appellante teruggevorderd en aan haar een boete opgelegd van € 4.620,-.

1.4.

Bij beslissing van 13 december 2017 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 januari 2017 gegrond verklaard voor zover dit betrekking heeft op de hoogte van de opgelegde boete. De Svb is van mening dat uit de brief van appellante, door de Svb ontvangen op 3 december 2014, blijkt dat appellante niet in Nederland woont. Dit neemt de Svb aan als de datum waarop appellante aan haar inlichtingenplicht heeft voldaan omtrent haar woonplaats. Nu appellante weliswaar te laat, maar wel uit eigen beweging dit heeft gemeld, wordt de hoogte van boete vastgesteld op 25% van het benadelingsbedrag van augustus 2013 tot en met november 2014. De aan haar opgelegde boete wordt verlaagd naar € 968,84. Omdat appellante te kennen heeft gegeven het teruggevorderde bedrag en de boete niet binnen zes weken te kunnen betalen en zij in het buitenland woont, heeft de Svb aan de hand van de overgelegde gegevens beleidsmatig een beslagvrije voet vastgesteld op € 531,01, waardoor appellante een bedrag van € 365,90 per maand dient terug te betalen.

2. De rechtbank heeft het beroep in de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank is onder meer van oordeel dat de Svb het terugvorderingsbedrag juist heeft vastgesteld en dat met de vaststelling van de maandelijkse terugbetalingsverplichting appellante niet tekort wordt gedaan.

3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat de besluitvorming van de Svb onterecht is, omdat zij niets fout heeft willen doen. Ook werd het ouderdomspensioen dat aan haar is betaald al afgetrokken van het ouderdomspensioen van haar (voormalige) partner [naam voormalig partner], zodat het in essentie al is verrekend. Daarnaast stelt appellante dat zij alleen een minimumpensioen uit Oostenrijk ontvangt en niets kan terugbetalen.

4. De Raad overweegt als volgt.

4.1.

In geding is de vraag of de Svb terecht en op juiste gronden van appellante het ten onrechte betaalde ouderdomspensioen heeft teruggevorderd en aan haar een boete heeft opgelegd. Ook is in geschil op welke wijze het verschuldigde bedrag dient te worden terugbetaald.

Terugvordering

4.2.

De Raad stelt vast dat het besluit van 26 november 2016, waarbij het ouderdomspensioen van appellante is ingetrokken, in rechte vaststaat. Op grond van artikel 24 van de AOW was de Svb gehouden tot het terugvorderen van het ten onrechte betaalde ouderdomspensioen van appellante. Van een dringende reden om van de terugvordering af te zien als bedoeld in artikel 24, vijfde lid, van de AOW is niet gebleken. Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2514) kunnen dringende redenen als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale gevolgen die een terugvordering voor een betrokkene heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt. Dat daarvan sprake is, heeft appellante onvoldoende onderbouwd. Voor wat betreft de financiële situatie van appellante verwijst de Raad naar wat hieronder in 4.7 wordt overwogen.

Boete

4.3.

Voor een weergave van de relevante wetgeving en uitgangspunten bij de beoordeling van de evenredigheid van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar de overwegingen 5.1 tot en met 5.11 van de uitspraak van 11 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:12, en de tekst van artikel 17c van de AOW en de artikelen 2 en 2a van het Boetebesluit socialezekerheidswetten, zoals deze per 1 januari 2017 luiden.

4.4.

Uit de stukken in het dossier, waaronder de brief van appellante van 2 mei 2016 en het telefoongesprek tussen de Svb en appellante op 5 december 2017, blijkt dat appellante heeft erkend dat ten onrechte op haar AOW-aanvraag is vermeld dat zij woonachtig was in Nederland, omdat zij nooit in Nederland heeft gewoond. Appellante heeft toegelicht dat zij dit niet met opzet heeft gedaan en dat het ouderdomspensioen dat zij ontving compenseerde wat [naam voormalig partner] minder is gaan ontvangen. Zij had zich in Nederland laten inschrijven, vooral om met haar Oostenrijkse rijbewijs in Nederland te kunnen rijden. Dat in Nederland geen tweede woonplaats mogelijk is, zoals dat volgens appellante wel in Oostenrijk kan, was haar niet bekend. Feitelijk verbleef zij maximaal zes tot zeven weken per jaar in Nederland. De Raad is van oordeel dat appellante geen ingezetene van Nederland is geweest en zij geen verzekerde jaren voor de AOW heeft opgebouwd. Appellante heeft daarom geen recht op een ouderdomspensioen. Dat dit wel aan haar is toegekend, is veroorzaakt door schending van de op appellante rustende inlichtingenverplichting.

4.5.

Nu in 4.4 is vastgesteld dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden en niet kan worden gezegd dat elke verwijtbaarheid ontbreekt, was de Svb in beginsel verplicht een boete op te leggen. De Raad is van oordeel dat de Svb in het bestreden besluit in voldoende mate rekening heeft gehouden met de situatie van appellante door van een lager benadelingsbedrag en verminderde verwijtbaarheid uit te gaan.

Ouderdomspensioen [naam voormalig partner]

4.6.

Ten aanzien van het standpunt van appellante dat wat zij teveel kreeg aan AOW reeds is verrekend met het ouderdomspensioen van [naam voormalig partner], overweegt de Raad dat de hoogte van het ouderdomspensioen van [naam voormalig partner] in dit geding niet ter beoordeling staat. In het verweerschrift en ter zitting heeft de Svb toegelicht hoe en waarom de verlaging van het AOW-pensioen van [naam voormalig partner] heeft plaatsgevonden. Er is geen sprake van een korting op het ouderdomspensioen van [naam voormalig partner], maar van het ontstaan van andere rechten bij het bereiken van de AOW‑gerechtigde leeftijd van appellante. Ook is er een wijziging opgetreden door de verandering van de eerder opgegeven leefvorm. De besluitvorming hierover is in rechte komen vast te staan.

Terugbetalingsverplichting

4.7.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in overweging 9 en 10 overwogen waarom de terugbetalingsverplichting die bij het bestreden besluit is vastgesteld in stand kan blijven. Hoewel appellante heeft aangevoerd dat haar financiële situatie verder achteruit is gegaan, heeft zij niet onderbouwd gesteld op grond waarvan de Raad tot een ander oordeel zou moeten komen dan de rechtbank. Deze beroepsgrond van appellante slaagt daarom niet. Wel merkt de Raad op dat de Svb ter zitting heeft laten weten bereid te zijn om opnieuw naar de draagkracht van appellante te kijken indien zij kan aantonen welke kosten zij daadwerkelijk maakt. De Svb staat open voor een betalingsvoorstel, indien appellante mee wil werken aan de invordering van de terugvordering en de boete.

Conclusie

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat de rechtbank terecht het beroep ongegrond heeft verklaard. De aangevallen uitspraak zal dan ook bevestigd worden.

5. Voor een vergoeding van proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van R. van Doorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 december 2020.

(getekend) A. van Gijzen

(getekend) R. van Doorn