Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3105

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
18/5683 WIA
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:7820, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 november 2017 inzichtelijk uiteengezet waarom er, behoudens item 6.3, er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen vast te stellen in de FML. Er bestaat geen aanleiding hieraan te twijfelen. De door appellante in beroep overgelegde informatie van de gynaecoloog van 9 juni 2017 en de reumatoloog van 24 januari 2018, vormen evenmin aanleiding om de conclusies van de artsen van het Uwv in twijfel te trekken. Ook de door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie, bijlage 1 tot en met bijlage 31, leiden niet tot een ander oordeel.

Anders dan appellante stelt, is in de voorhanden zijnde medische informatie geen bevestiging te vinden voor haar standpunt dat zij op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt was en dat de artsen van het Uwv haar medische toestand onjuist hebben ingeschat. Ook overigens heeft appellante in hoger beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar beperkingen zijn onderschat of dat zij meer of anders beperkt is. Geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige in te schakelen. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18/5683 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 september 2018, 18/552 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 9 december 2020

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. H. Martens, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken overgelegd. Het Uwv heeft hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 november 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Martens. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.F.H.H. Fuchs, die door middel van videobellen heeft deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verzorgende IG bij Stichting [Stichting 1] voor 21,48 uur per week en bij Stichting [Stichting 2] voor 11,15 uur per week. Beide dienstverbanden zijn op 30 november 2014 beëindigd. Op 29 september 2015 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de

Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld met psychische klachten. Het Uwv heeft appellante in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). In het kader van de Eerstejaars ZW-beoordeling is appellante bij besluit op bezwaar van 27 december 2016 meegedeeld dat haar ZW-uitkering per 7 september 2016 onveranderd wordt voortgezet.

1.2.

Op 9 juni 2017 heeft appellante een aanvraag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ingediend. Appellante heeft in dat kader op 10 juli 2017 het spreekuur bezocht van een arts van het Uwv. Deze arts heeft appellante belastbaar geacht met inachtneming van de beperkingen die zijn neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 13 juli 2017. Een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar laatstelijk verrichte werk als verzorgende IB, vervolgens drie functies geselecteerd en op basis daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 49,15%. Appellante is met haar beperkingen in staat de functies van schoonmaker interieur autobussen, treinen, trams (SBC-code 111335), administratief medewerker afhandelingen (SBC-code 51580) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) te vervullen. Bij besluit van 16 augustus 2017 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 19 september 2017 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering en dat de loongerelateerde uitkering voortduurt tot en met 28 november 2018.

1.3.

Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 16 augustus 2017 heeft het Uwv bij besluit van 16 januari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit liggen rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep en van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ten grondslag. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft de FML op item 6.3 aangepast. Appellante is ongeveer 30 uur per week belastbaar, zodat zij voldoende ruimte heeft voor haar behandelingen/psychotherapeutische gesprekken. Een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft op grond van de nieuwe FML van

24 november 2017 de oorspronkelijk geselecteerde functies opnieuw bezien. De functies van schoonmaker interieur autobussen, treinen, trams (SBC-code 111335) en productiemedewerker industrie (SBC-code 111180) zijn ongeschikt geacht wegens overschrijding van het aantal uren per week en vervangen door andere functies binnen dezelfde SBC-codes. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid 49,16% is en dat appellante onveranderd voor 35-80% arbeidsongeschikt wordt geacht.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, kort samengevat, overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. In wat appellante heeft aangevoerd en aan medische stukken heeft ingediend heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de bevindingen en de conclusies van de artsen van het Uwv. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd heeft toegelicht waarom appellante in staat is de voor haar geselecteerde functies te vervullen.

3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt staande gehouden dat het Uwv haar beperkingen heeft onderschat. Samengevat, heeft appellante benadrukt dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten en met haar lichamelijke klachten, waaronder artrose aan de handen, fibromyalgie, lactose intolerantie, prikkelbare darm, nekklachten, myogene rugklachten, overactieve blaas, schrompelnier, hartklachten en hoofdpijn. Appellante voelt zich niet serieus genomen door het Uwv. Ze is nog steeds onder behandeling voor haar klachten en afhankelijk van medicatie en medische hulpstukken. Appellante acht zich volledig arbeidsongeschikt en is niet in staat de aan haar voorgehouden functies te verrichten. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante nadere medische stukken overgelegd.

3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit en een reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 september 2020 ingebracht.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Van gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid van een verzekerde is op grond van artikel 5 van de Wet WIA sprake als hij als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van onder meer ziekte of gebrek slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, maar niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Wet WIA wordt de beoordeling of iemand volledig en duurzaam arbeidsongeschikt of gedeeltelijk arbeidsgeschikt is gebaseerd op een verzekeringsgeneeskundig en een arbeidskundig onderzoek.

4.2.

In geschil is de vraag of het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante in de zin van de Wet WIA terecht met ingang van 19 september 2017 heeft vastgesteld op 49,16%.

4.3.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen dan de rechtbank heeft gedaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest. De primaire arts heeft het dossier bestudeerd, waaronder informatie van PsyQ, en appellante zowel psychisch als lichamelijk onderzocht. Daarbij is aandacht geweest voor de door appellante geclaimde psychische klachten, rugklachten en de klachten aan haar vingers. Verder was de primaire arts bekend met de medische voorgeschiedenis van appellante, waaronder de buiklachten, schrompelnier na een nierbekkenontsteking, hartklachten (myocarditis), ileus (darmafsluiting), voedsel intolerantie

(voor zuivel) en de verwijdering van poliepen, galblaas en eierstok. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft het dossier eveneens bestudeerd en de door appellante in bezwaar overgelegde informatie van de reumatoloog van 13 september 2017, de cardioloog van 27 juni en 11 juli 2017, de internist van 2 februari 2017 en van de psychotherapeut van 19 september 2017 bij de beoordeling van de belastbaarheid meegewogen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 23 november 2017 inzichtelijk uiteengezet waarom er, behoudens item 6.3, er geen aanleiding is om verdergaande beperkingen vast te stellen in de FML. Er bestaat geen aanleiding hieraan te twijfelen.

4.4.

De door appellante in beroep overgelegde informatie van de gynaecoloog van 9 juni 2017 en de reumatoloog van 24 januari 2018, vormen evenmin aanleiding om de conclusies van de artsen van het Uwv in twijfel te trekken. Uit de informatie van de gynaecoloog blijkt dat, behoudens een niet-specifieke ontsteking, er geen afwijkingen zijn en dat er geen behandeladvies is gegeven. Uit de informatie van de reumatoloog blijkt, evenals uit de in bezwaar overgelegde informatie van de reumatoloog van 13 september 2017, dat sprake is van artrosehanden en gegeneraliseerde tendomyogene klachten. In het rapport van 18 april 2018 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gereageerd op voornoemde informatie en daarin geen aanleiding gezien om tot een ander standpunt te komen over de belastbaarheid van appellante. De knobbeltjes aan de vingers (Heberdense noduli (artrose)) komen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep zeer veel voor bij mensen (vooral vrouwen) van middelbare leeftijd en ouder, en beïnvloeden de hand- en vingervaardigheid op zich niet. Het onderzoek van de gynaecoloog levert geen verontrustende bevindingen op. De aspecifieke ontstekingen genezen volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep weer spontaan. Ook de nadien in beroep overgelegde informatie van de radioloog en van PsyQ vormen geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen over de belastbaarheid van appellante. Met het Uwv wordt overwogen dat die informatie niet ziet op de datum in geding. Uit de informatie van de radioloog van 3 april 2018 blijkt dat ruim na de datum in geding sprake is cervicale artrose C5/C6/C7. Uit de informatie van PsyQ van 23 maart 2018 blijkt dat na de datum in geding, in oktober 2017, de behandeling tijdelijk is geëindigd wegens vertrek van de psychotherapeut, dat de behandeling op 26 januari 2018 is overgenomen door psychiater L. Veen en dat bij appellante nog steeds sprake is van depressieve klachten. In dit verband wordt overwogen dat bij het vaststellen van de belastbaarheid rekening is gehouden met de depressieve klachten van appellante en dat op grond daarvan in de FML aanzienlijke beperkingen zijn aangenomen.

4.5.

Ook de door appellante in hoger beroep overgelegde medische informatie, bijlage 1 tot en met bijlage 31, leiden niet tot een ander oordeel. In het rapport van 15 september 2020 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gemotiveerd toegelicht waarom die informatie eveneens geen aanleiding geeft om tot een ander oordeel te komen over de belastbaarheid van appellante. Met de verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt overwogen dat die informatie niet tot nieuwe gezichtspunten leidt. De informatie dateert van ruim na de datum in geding of van ruim vóór de beoordeling door het Uwv en/of was al bekend bij het Uwv. Anders dan appellante stelt, is in de voorhanden zijnde medische informatie geen bevestiging te vinden voor haar standpunt dat zij op de datum in geding volledig arbeidsongeschikt was en dat de artsen van het Uwv haar medische toestand onjuist hebben ingeschat.

4.6.

Ook overigens heeft appellante in hoger beroep onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar beperkingen zijn onderschat of dat zij meer of anders beperkt is. Door het Uwv is onderkend dat appellante veel heeft meegemaakt in haar leven, in Hongarije is opgegroeid in minder gunstige omstandigheden en dat sprake is van beperkingen van zowel lichamelijke als van psychische aard. De Raad begrijpt dat voor appellante zelf wat zij voelt en ervaart voorop staat, maar bij een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling zoals hier aan de orde gaat het om de medisch objectiveerbare beperkingen. Met de geobjectiveerde beperkingen van appellante is door het Uwv rekening gehouden in de FML. Uit de in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat de medische toestand van appellante na de datum in geding gaandeweg is verslechterd, maar het gaat in dit geval om de gezondheidssituatie van appellante op de datum in geding, 19 september 2017. Gelet op het voorgaande ziet de Raad geen aanleiding om een onafhankelijk medisch deskundige in te schakelen.

4.7.

De rechtbank wordt ook gevolgd in haar oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de aan de berekening van het arbeidsongeschiktheidspercentage ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellante geschikt zijn. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 1 mei 2018 adequaat gereageerd op de in beroep naar voren gebrachte bezwaren van appellante en per functie nog eens inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat de belasting in de geselecteerde functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijden.

5. Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van M. Graveland als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) M. Graveland