Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:309

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
18/2370 ZW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2018:2709, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd en vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep zijn geen medische stukken ingebracht die twijfel oproepen aan het standpunt van het Uwv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2370 ZW

Datum uitspraak: 13 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

10 april 2018, 17/4762 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. ter Haar-Bas, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ter Haar-Bas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als machineoperator procesindustrie voor 37 uur per week. Zijn dienstverband is op 1 januari 2014 geëindigd. Appellant heeft zich op

14 november 2016 ziek gemeld omdat hij op 15 november 2016 een nier ging doneren. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Het Uwv heeft appellant een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2.

Op 13 april 2017 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 20 april 2017 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van machineoperator procesindustrie. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van

13 april 2017 de ZW-uitkering van appellant per 20 april 2017 (datum in geding) beëindigd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 26 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en

beroep heeft geconcludeerd dat uit informatie van de behandelend uroloog en huisarts blijkt dat appellant prostaatklachten heeft, maar dat dit niet leidt tot het opleggen van medische beperkingen die zodanig zijn dat appellant niet in staat is zijn arbeid te verrichten of tot het geven van leefregels. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 26 september 2017 op inzichtelijke wijze heeft toegelicht waarom hij geen gronden ziet om zijn eerder ingenomen standpunt te wijzigen. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep al bekend was met het feit dat appellant nog onder controle van artsen stond en dat verder medisch onderzoek werd verricht. Dat op de datum in geding niet uit te sluiten viel dat uit dit onderzoek nog een oorzaak of oorzaken gevonden zou of zouden kunnen worden voor alle klachten van appellant, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat de verzekeringsartsen op de datum in geding geen weloverwogen oordeel konden geven van de medisch objectiveerbare beperkingen van appellant op dat moment.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij op de datum in geding het werk in de functie van machineoperator procesindustrie nog niet kon verrichten en gehandhaafd wat in bezwaar en beroep is aangedragen. Appellant heeft gesteld dat uit de informatie van

29 juni 2017 van de uroloog niet blijkt dat appellant ondanks de gezondheidsklachten arbeidsgeschikt zou zijn. Volgens appellant heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep de zwaarte van het werk, met name het tillen, onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken. Appellant heeft er op gewezen dat hij nog steeds gezondheidsklachten heeft, dat hij daarom nog onder behandeling is en dat verder medisch onderzoek wordt verricht.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd is in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft betoogd en vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De rechtbank heeft deze gronden afdoende besproken en met juistheid geoordeeld dat deze niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat appellant met de benigne prostaat hypertrofie en de haematurie op de datum in geding (ongeveer vijf maanden na de nierdonatie) het laatst verrichte werk van machineoperator procesindustrie weer kon verrichten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in navolging van de verzekeringsarts vastgesteld dat het gaat om microscopische haematurie en dat appellant verder normale bloedwaarden had. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft informatie opgevraagd bij de behandelend uroloog, waarbij hij de uroloog heeft gevraagd of hij aan appellant nog bepaalde leefregels heeft opgelegd en zo ja, welke. De uroloog heeft daarop expliciet geantwoord dat geen leefregels zijn opgelegd. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt verder dat hij bekend is met de lichamelijke zware aard van de maatgevende functie. Dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarbij het aspect tillen niet expliciet heeft benoemd, maakt dit niet anders. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat in de daaraan voorafgaande rapporten van de verzekeringsartsen meerdere malen is genoteerd dat tillen tot 40 kilogram in de functie voorkomt, de verzekeringsarts bezwaar en beroep over deze informatie beschikte en niet gehouden is om de alle kenmerkende aspecten van een functie in zijn rapport te herhalen. Voldoende is verder toegelicht dat het feit dat appellant enkele maanden na de datum in geding opnieuw een ZW-uitkering is toegekend, (alleen) te maken had met de ophanden zijnde ingreep aan zijn prostaat die uiteindelijk op 8 november 2017 heeft plaatsgevonden en dat deze toekenning los stond van de tijdelijke arbeidsongeschiktheid als gevolg van de nierdonatie. In hoger beroep zijn geen medische stukken ingebracht die twijfel oproepen aan het standpunt van het Uwv.

5. Deze overwegingen leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) F.E.M. Boon