Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3073

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
18/4774 AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het incidenteel hoger beroep van de Svb slaagt. Uit bestreden besluit 1 blijkt dat de Svb de op appellant toepasselijke wetgeving over 1 mei 2010 tot 1 april 2012 heeft vastgesteld op grond van het Rijnvarendenverdrag. Het door de Svb bestreden onderdeel van de aangevallen uitspraak berust dus op een niet gefundeerde vaststelling van de feiten. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 dus alsnog ongegrond worden verklaard, voor zover dit besluit ziet op de periode 1 mei 2010 tot 1 april 2012. De Raad stelt vast dat de Svb op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellant, die als rijnvarende werkzaam was op een schip met een Nederlandse exploitant, over de periodes in geding was onderworpen aan de Nederlandse wetgeving. De rechtbank heeft de beroepsgronden die appellant in hoger beroep heeft herhaald, in de aangevallen uitspraak toereikend besproken en terecht verworpen. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 april 2013 niet meer werkte op de [naam schip 1] maar op de [naam schip 2] . De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover die uitspraak betrekking heeft op de gedeeltelijke vernietiging van bestreden besluit 1, de gedeeltelijke herroeping van het besluit van 15 september 2016, en op de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daarbij zal het beroep tegen bestreden besluit 1 alsnog volledig ongegrond worden verklaard. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd. De redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden, volledig aan de rechterlijke fase toe te rekenen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 4774 AOW, 18/4785 AOW, 19/628 AOW, 19/629 AOW

Datum uitspraak: 19 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 juli 2018, 17/2794 en 17/2795 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J. van Dam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 juli 2020, gevoegd met een aantal soortgelijke zaken, waaronder zaak 18/4689 AOW. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P. van den Berg en mr. A. van der Weerd. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dam.

Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. Partijen is meegedeeld dat de voorliggende zaak pas zal worden afgedaan nadat een meervoudige kamer van de Raad uitspraak heeft gedaan in de zaak 18/4689 AOW. De termijn voor het doen van uitspraak in de voorliggende zaak is in verband daarmee verlengd. In zaak 18/4689 AOW is op 5 november 2020 uitspraak gedaan, ECLI:NL:CRVB:2020:2748.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant heeft – voor zover van belang – van 1 mei 2010 tot en met 31 maart 2013 op de loonlijst gestaan van [naam bedrijf 1] ( [naam bedrijf 1] ). Van 1 april 2013 tot en met 5 juni 2013 stond appellant op de loonlijst van [naam bedrijf 2] ( [naam bedrijf 2] ). Appellant heeft gewerkt op het binnenvaartschip [naam schip 1] , dat destijds werd geëxploiteerd door [BV] .

1.2.

Bij besluit van 15 september 2016 heeft de Svb aan appellant twee A1-verklaringen verstrekt. Daarbij is vermeld dat op appellant de Nederlandse socialezekerheidswetgeving (wetgeving) van toepassing is over achtereenvolgens 1 mei 2010 tot en met 31 maart 2013 en 1 april 2013 tot en met 5 juni 2013.

1.3.

Bij besluiten van 20 april 2017 heeft de Svb de bezwaren van appellant tegen het onder 1.2 vermelde besluit ongegrond geacht over de periode 1 mei 2010 tot en met 31 maart 2013 (bestreden besluit 1) en over de periode 1 april 2013 tot en met 5 juni 2013 (bestreden besluit 2). Daartoe is overwogen dat appellant ten tijde van belang in de Rijnvaart werkzaamheden heeft verricht op een schip met een Nederlandse exploitant. Bij de bestreden besluiten is de Svb ervan uitgegaan dat appellant mede heeft gewerkt in Zwitserland. Gegeven het bepaalde in artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van Vo 1408/711 in samenhang met artikel 90, eerste lid, aanhef en onder c, van de basisverordening2, heeft de Svb daarom de periode vóór
1 april 2012 beoordeeld aan de hand van, en onder verwijzing naar, artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag3. De periode vanaf 1 april 2012 is door de Svb beoordeeld aan de hand van, en onder verwijzing naar, artikel 4, tweede lid, van de Rijnvarendenovereenkomst4.

2. Appellant heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Dit beroep is bij de aangevallen uitspraak gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard, met bepalingen over proceskosten en griffierecht. Bestreden besluit 1 is vernietigd, voor zover dit besluit ziet op de periode 1 mei 2010 tot 1 april 2012. Verder heeft de rechtbank zelf in de zaak voorzien door het onder 1.2 vermelde besluit van 15 september 2016 te herroepen voor zover dit besluit ziet op de periode 1 mei 2010 tot 1 april 2012. Aan het gedeeltelijk gegrond verklaren van het beroep van appellant is ten grondslag gelegd dat – kort weergegeven – niet is gebleken dat de Svb de op appellant toepasselijke wetgeving over 1 mei 2010 tot 1 april 2012 heeft vastgesteld op grond van het Rijnvarendenverdrag.

3.1.1.

Het hoger beroep van appellant richt zich tegen het oordeel van de rechtbank over zijn verzekeringspositie in de periode 1 april 2012 tot en met 5 juni 2013. Appellant stelt zich in hoger beroep, net als in beroep en op min of meer dezelfde gronden, op het standpunt dat op hem over 1 mei 2010 tot en met 5 juni 2013 de Luxemburgse wetgeving van toepassing is en niet de Nederlandse wetgeving. Verder blijkt volgens appellant uit de uitspraak van de Raad van 28 augustus 20195 dat de procedurevoorschriften van artikel 6, 16 en 73 van de toepassingsverordening6 in dit geding wel degelijk onverkort van toepassing zijn, zodat de Svb deze procedureregels ten onrechte niet heeft nageleefd. De arresten van de Hoge Raad van 10 juli 20207, in de hoedanigheid van belastingrechter, hebben hier geen invloed op. Indien toch twijfel zou bestaan, dan zouden prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) gesteld moeten worden, namelijk of artikel 16 van de basisverordening aan lidstaten de bevoegdheid geeft om, als op grond daarvan een uitzondering wordt gemaakt op artikel 13 van de basisverordening, de procedurevoorschriften van artikel 6, 16 en 73 van de toepassingsverordening opzij te zetten. Een andere vraag zou zijn of deze procedurevoorschriften met de Rijnvarendenovereenkomst opzij zijn gezet.

3.1.2.

De Svb heeft alles wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd weersproken. Daarbij heeft de Svb zich nadrukkelijk op het standpunt gesteld dat de procedurevoorschriften van artikel 16 van de toepassingsverordening in dit geding niet hoefden te worden nageleefd, omdat deze procedurevoorschriften in dit geding niet van toepassing zijn. In artikel 16 van de toepassingsverordening is de procedure beschreven voor de toepassing van de aanwijsregels die zijn opgenomen in artikel 13 van de basisverordening. Op appellant zijn echter alleen de aanwijsregels van toepassing die zijn opgenomen in het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst. De Svb ziet zijn standpunt bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020.

3.2.1.

Het incidenteel hoger beroep van de Svb richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat de Svb de op appellant toepasselijke wetgeving over 1 mei 2010 tot
1 april 2012 heeft vastgesteld op grond van het Rijnvarendenverdrag. Daarbij heeft de Svb gewezen op de motivering van bestreden besluit 1.

3.2.2.

In reactie op het incidenteel hoger beroep van de Svb, heeft appellant zich – net als in beroep – op het standpunt gesteld dat de Svb de toepasselijke wetgeving over de periode

1 mei 2010 tot 1 april 2012 ten onrechte heeft vastgesteld aan de hand van het Rijnvarendenverdrag, omdat appellant toen niet (mede) heeft gewerkt in Zwitserland.

4. De Raad overweegt als volgt.


De periode van 1 mei 2010 tot 1 april 2012

4.1.

Het incidenteel hoger beroep van de Svb slaagt. Uit bestreden besluit 1 blijkt dat de Svb de op appellant toepasselijke wetgeving over 1 mei 2010 tot 1 april 2012 heeft vastgesteld op grond van het Rijnvarendenverdrag. Het door de Svb bestreden onderdeel van de aangevallen uitspraak berust dus op een niet gefundeerde vaststelling van de feiten.

4.2.

Appellant heeft zich in reactie op het incidenteel hoger beroep van de Svb op het standpunt gesteld dat de Svb de toepasselijke wetgeving over de periode 1 mei 2010 tot 1 april 2012 ten onrechte heeft vastgesteld aan de hand van het Rijnvarendenverdrag. Daartoe is aangevoerd dat appellant in deze periode niet (mede) heeft gewerkt in Zwitserland. Deze stellingname van appellant faalt. Daartoe wordt verwezen naar overweging 5.1 van de aangevallen uitspraak, die de Raad onderschrijft. Nu van de zijde van appellant aanvankelijk bij herhaling te kennen is gegeven dat appellant destijds ook werkzaam was op de Zwitserse binnenwateren, had het op de weg van appellant gelegen om nader te onderbouwen dat dit feitelijk onjuist was. Ook in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat appellant heeft gewerkt op een Rijnvaartschip dat ten tijde van belang niet heeft gevaren op de binnenwateren van Zwitserland.

4.3.

Gelet op 4.1 en 4.2 zal de aangevallen uitspraak gedeeltelijk worden vernietigd. De Svb heeft op basis van de beschikbare gegevens in overeenstemming met artikel 11, tweede lid, van het Rijnvarendenverdrag geconcludeerd dat appellant, die als rijnvarende werkzaam was op een schip met een Nederlandse exploitant, over 1 mei 2010 tot 1 april 2012 was onderworpen aan de Nederlandse wetgeving. Doende wat de rechtbank had behoren te doen, zal het beroep van appellant tegen bestreden besluit 1 dus alsnog ongegrond worden verklaard, voor zover dit besluit ziet op de periode 1 mei 2010 tot 1 april 2012.


De periode van 1 april 2012 tot en met 5 juni 2013

4.4.

Over de periode 1 april 2012 tot en met 5 juni 2013 is op appellant de tussen de EU‑lidstaten België, Duitsland, Frankrijk, Luxemburg en Nederland gesloten Rijnvarendenovereenkomst van toepassing. Dit is tussen partijen niet in geschil.
Zwitserland is in augustus 2012, met terugwerkende kracht tot 1 april 2012, toegetreden tot de Rijnvarendenovereenkomst.

4.5.

In het onder 3.1.1 en 3.1.2 genoemde arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020 is (onder 4.3.4. en 4.3.6) overwogen dat de Rijnoeverstaten met het sluiten van de Rijnvarendenovereenkomst gebruik hebben gemaakt van de afwijkingsmogelijkheid van artikel 16 van de basisverordening. In de Rijnvarendenovereenkomst zijn de Rijnoeverstaten voor de positie van rijnvarenden ter zake van sociale zekerheid afgeweken van het stelsel van artikel 13 van de basisverordening. In die overeenkomst is geregeld dat op een rijnvarende als bedoeld in de Rijnvarendenovereenkomst slechts de wetgeving van één enkele Rijnoeverstaat van toepassing is. Voor de vaststelling van de toepasselijke wetgeving bevat de Rijnvarendenovereenkomst in de artikelen 4 en 5 eigen regels, die afwijken van de regels van de basisverordening. Het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst laat, anders dan het stelsel van artikel 13 van de basisverordening, geen ruimte voor het standpunt dat op een rijnvarende de wetgeving van meer dan één Rijnoeverstaat van toepassing zou kunnen zijn.

4.6.

Verder heeft de Hoge Raad in genoemd arrest van 10 juli 2020 (onder 4.3.5) overwogen dat artikel 16 van de toepassingsverordening een procedure voor de toepassing van artikel 13 van de basisverordening bevat. De tekst van artikel 16 van de toepassingsverordening laat zien dat die procedure erop is gericht eventuele onzekerheid in een geval waarin op grond van artikel 13 van de basisverordening de wetgeving van meer dan één lidstaat van toepassing zou kunnen zijn, te beëindigen teneinde te waarborgen dat overeenkomstig de algemene regel van artikel 11, eerste lid, van de basisverordening slechts de wetgeving van één lidstaat van toepassing is.

4.7.

Nu op grond van de Rijnvarendenovereenkomst op een rijnvarende de wetgeving van slechts één Rijnoeverstaat van toepassing kan zijn, zijn de procedurevoorschriften van artikel 16 van de toepassingsverordening bij de toepassing van de Rijnvarendenovereenkomst volgens de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juli 2020 (onder 4.3.8 en 4.3.9) niet van toepassing. De Hoge Raad heeft verder overwogen dat het stelsel van de Rijnvarendenovereenkomst niet voorziet in voorlopige toepassing van wetgeving van een Rijnoeverstaat. Deze Raad sluit zich bij de overwegingen van de Hoge Raad aan.

4.8.

De Raad onderkent dat hij in zijn eerdergenoemde uitspraak van 28 augustus 2019 (onder 11.3.2) heeft overwogen dat het niet voor redelijke twijfel vatbaar is dat de procedurevoorschriften van artikel 6 en artikel 16 van de toepassingsverordening door de nationale socialezekerheidsrechter niet buiten beschouwing mogen worden gelaten bij de beoordeling van besluiten die zijn gebaseerd op artikel 13 van de basisverordening en de Rijnvarendenovereenkomst. Die uitspraak betreft echter een situatie waarin een EU-lidstaat betrokken is die geen partij is bij de Rijnvarendenovereenkomst. In die situatie staat buiten kijf dat de procedureregels van de toepassingsverordening wel dienen te worden gevolgd, zoals de Svb ook ter zitting heeft verklaard te zullen doen. Gelet op de uiteenzetting van de Hoge Raad in zijn arrest van 10 juli 2020, is er voor deze Raad geen aanleiding om in de voorliggende zaak aan het HvJ EU prejudiciële vragen te stellen.

4.9.

De Raad merkt nog op dat de Svb in de voorliggende zaak concrete stappen heeft gezet om voor appellant door zijn werkgever ten onrechte in Luxemburg afgedragen premies gerestitueerd te krijgen, zodat deze premies kunnen worden verrekend met de voor de Nederlandse wetgeving verschuldigde premies. Bovendien is ter zitting te kennen gegeven dat de arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020 de Svb geen aanleiding geven om zijn benadering in de voorliggende soortgelijke lopende zaken in het nadeel van de betrokken werknemers te wijzigen. In dit verband zij herinnerd aan de brief van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Tweede Kamer van 1 juli 2020 (Kamerstukken II, 26 834, nr. 50) en aan de brief van de Staatssecretaris van Financiën aan de Tweede Kamer van 27 augustus 2020 (Aanhangsel van de Handelingen nr. 3882).

4.10.

De Raad stelt vast dat de Svb op basis van de beschikbare gegevens terecht heeft geconcludeerd dat appellant, die als rijnvarende werkzaam was op een schip met een Nederlandse exploitant, over de periodes in geding was onderworpen aan de Nederlandse wetgeving. De rechtbank heeft de beroepsgronden die appellant in hoger beroep heeft herhaald, in de aangevallen uitspraak toereikend besproken en terecht verworpen. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf 1 april 2013 niet meer werkte op de [naam schip 1] maar op de [naam schip 2] .


Conclusie

4.11.

Bij de bestreden besluiten heeft de Svb terecht de vaststelling van de Nederlandse wetgeving gehandhaafd. De Svb heeft – na een melding van de Belastingdienst – ambtshalve het onder 1.2 vermelde besluit van 15 september 2016 mogen nemen. De Svb is immers het voor Nederland bevoegde orgaan om verklaringen over de toepasselijke wetgeving af te geven. Dat deze verklaringen met terugwerkende kracht kunnen worden afgegeven, volgt uit de jurisprudentie van het HvJ EU, waaronder het arrest Alpenrind e.a.8

4.12.

Gelet op 4.1 tot en met 4.11 zal de aangevallen uitspraak worden vernietigd, voor zover die uitspraak betrekking heeft op de gedeeltelijke vernietiging van bestreden besluit 1, de gedeeltelijke herroeping van het besluit van 15 september 2016, en op de vergoeding van proceskosten en griffierecht. Daarbij zal het beroep tegen bestreden besluit 1 alsnog volledig ongegrond worden verklaard. Voor het overige zal de aangevallen uitspraak worden bevestigd.

Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn

5.1.

In de regel is de bestuursrechter niet gehouden om te toetsen of de redelijke termijn9 is overschreden wanneer in beroep en hoger beroep niet over de duur van de procedure wordt geklaagd. In dit geval ligt dat anders, omdat de Raad het onderzoek op 23 juli 2020 heeft gesloten en daarbij heeft bepaald dat binnen zes weken schriftelijk uitspraak wordt gedaan.
Er was op 23 juli 2020 nog geen sprake van een overschrijding van de hierna onder 6.2 aangeduide termijn van vier jaar en die was, uitgaande van de in artikel 8:66 van de Awb10 opgenomen termijn voor het doen van uitspraak, ook niet te voorzien. Daarom was er voor appellant geen reden om over de duur van de procedure te klagen. Wegens genoemde specifieke omstandigheden is er aanleiding om in dit geval ambtshalve te beoordelen of de redelijke termijn is overschreden en om, eveneens ambtshalve, een vergoeding van immateriële schade toe te kennen.11

5.2.

In procedures als deze mag de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar duren, de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling bij de Raad ten hoogste twee jaar. Doorgaans zal er geen sprake zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, indien de fase van bezwaar, beroep en hoger beroep gezamenlijk niet langer dan vier jaar heeft geduurd.12 Er is geen aanleiding om in dit geval van deze termijn af te wijken. In beginsel, en ook in dit geval, is een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn is overschreden.

5.3.

Het bezwaarschrift tegen het besluit van 15 september 2016 is blijkens de gedingstukken op 27 september 2016 door de Svb ontvangen. Vanaf deze datum tot aan de datum van deze uitspraak is meer dan vier jaar verstreken, zodat de redelijke termijn is overschreden. Omdat de redelijke termijn is overschreden met minder dan zes maanden, komt appellant in aanmerking voor een schadevergoeding van € 500,-. De overschrijding is volledig aan de rechterlijke fase toe te rekenen. Dit leidt tot een veroordeling ten laste van de Staat.

Proceskosten

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

-vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover die uitspraak betrekking heeft op de gedeeltelijke vernietiging van bestreden besluit 1, de gedeeltelijke herroeping van het besluit van 15 september 2016, en op de vergoeding van proceskosten en griffierecht;
-verklaart het beroep tegen bestreden besluit 1 alsnog volledig ongegrond;

-bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
-veroordeelt de Staat tot betaling aan appellant van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 500,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Gijzen, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2020.

(getekend) A. van Gijzen

De griffier is verhinderd te ondertekenen.

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH Den Haag) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip verzekerde.

1 Verordening (EEG) nr. 1408/71.

2 Verordening (EG) nr. 883/2004.

3 Verdrag betreffende de sociale zekerheid van Rijnvarenden, Trb. 1981, 43.

4 Stcrt. nr. 3397 van 25 februari 2011, als gerectificeerd in Stcrt. nr. 3397 van 7 maart 2011.

5 CRvB 28 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2817.

6 Verordening (EG) nr. 987/2009.

7 Hoge Raad 10 juli 2020, ECLI:HR:2020:1150 e.a.

8 HvJ EU 6 september 2018, C-527/16, ECLI:EU:C:2018:669.

9 Als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU.

10 Algemene wet bestuursrecht.

11 In gelijke zin: CRvB 10 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3110.

12 Zie bijvoorbeeld CRvB 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.