Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3056

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
19/3301 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft zich in het bestreden besluit aangesloten bij het onherroepelijk geworden besluit van het Uwv van 1 september 2017. Anders dan appellant heeft betoogd, acht de Raad deze keuze niet onjuist. Met het college is de Raad van oordeel dat uit de bepalingen van de BWNU 2014 volgt dat bij de verlening van een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op grond van die regeling wordt uitgegaan van het in het kader van de WW vastgestelde dagloon. Wat appellant heeft aangevoerd over het ontslag per 1 januari 2016 en de garanties die zijn opgenomen in de daaraan voorafgegane vaststellingsovereenkomst, kan niet tot een ander oordeel leiden. Op basis van wat appellant in dit verband naar voren heeft gebracht, kan niet worden vastgesteld dat het college verplicht was tot vaststelling van een hoger dagloon per 1 januari 2016. Gelet op de toelichting op de toepassing van de hardheidsclausule, heeft artikel 22, vierde lid, van de BWNU 2014 geen betrekking op de situatie die in dit geval aan de orde is. Het beroep van appellant op deze bepaling slaagt daarom niet. Het hoger beroep treft geen doel en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop zij berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/557
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3301 AW

Datum uitspraak: 3 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 21 juni 2019, 18/596 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van bestuur van de Universiteit Maastricht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. H. Moltmaker, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Heek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. Moltmaker.

OVERWEGINGEN

1. Met ingang van 1 januari 2020 is de Ambtenarenwet 2017 (AW 2017) in werking getreden.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de AW 2017 behouden krachtens deze wet genomen

besluiten die zijn genomen voor 1 januari 2020 hun geldigheid. Ingevolge artikel 16,

tweede lid, van de AW 2017 blijft ten aanzien van de mogelijkheid om bezwaar te maken of

beroep in te stellen alsmede de behandeling van zodanig bezwaar of beroep tegen een op

grond van deze wet genomen besluit of handeling dat voor 1 januari 2020 is bekendgemaakt,

het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 januari 2020.

1.1.

Aan appellant is met ingang van 1 januari 2016 eervol ontslag verleend uit zijn dienstverband bij de Universiteit Maastricht. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft hem per die datum een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend, berekend op basis van het toen geldende maximumdagloon van € 202,17. Het college heeft appellant in aanvulling daarop per dezelfde datum een uitkering op grond van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten 2014 (BWNU 2014) toegekend, berekend naar een ongemaximeerd dagloon van € 206,69. Bij de berekening van dit dagloon is uitgegaan van een salariskorting wegens langdurige arbeidsongeschiktheid voorafgaande aan de ontslagdatum .

1.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 19 juli 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2406, heeft het Uwv bij besluit van 1 september 2017 het dagloon van appellant herberekend en met ingang van 1 juli 2017 nader vastgesteld op
€ 221,54. Omdat dit dagloon hoger was dan het toenmalige maximumdagloon van € 207,60, heeft het Uwv de WW-uitkering niet gewijzigd. Dit besluit is in rechte komen vast te staan.

1.3.

Bij brief van 27 september 2017 heeft appellant het college verzocht om aanpassing van zijn bovenwettelijke werkloosheidsuitkering per 1 januari 2016. Bij besluit van 13 oktober 2017 heeft het college het dagloon waarnaar de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering van appellant is berekend, met ingang van 1 juli 2017 gewijzigd in
€ 221,54 en de uitkering met ingang van die datum aangepast. Het bezwaar daartegen is bij besluit van 2 februari 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat de bovenwettelijke werkloosheidsuitkering de WW-uitkering volgt en dat daarom de door het Uwv vastgestelde herzieningsdatum 1 juli 2017 bepalend is.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.1.

In artikel 20 van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten 2017 (BWNU 2017), in werking getreden per 1 juli 2017, is bepaald dat de BWNU 2017 van toepassing is op de betrokkene met een eerste werkloosheidsdag op of na 1 juli 2017. Verder is in dit artikel bepaald dat in aanvulling daarop artikel 5 van de BWNU 2017 tevens geldt voor de betrokkene met een eerste werkloosheidsdag gelegen in de periode van 1 januari 2016 tot 1 juli 2017. Laatst genoemd artikel ziet op de reparatie-uitkering in verband met de verkorting van de WW-uitkering vanaf 1 januari 2016.

4.1.2.

Op grond van artikel 1, aanhef en onder e, van de BWNU 2014 wordt onder ongemaximeerde berekeningsgrondslag verstaan: het dagloon dat geldt voor de WW, waarbij echter onder meer de maximumdagloongrens van artikel 17 Wet Financiering Sociale Verzekeringen buiten beschouwing wordt gelaten. Op grond van artikel 4, eerste lid, van de BWNU 2014 heeft de betrokkene die recht heeft op een uitkering op grond van de WW recht op een aanvulling op de WW-uitkering, indien het voor hem met toepassing van artikel 16 van de Wet Financiering Sociale Verzekeringen berekende loon hoger is dan het maximumdagloon zoals bedoeld in artikel 17 van de Wet Financiering Sociale Verzekeringen. Op grond van artikel 5, derde lid, van de BWNU 2014 wordt de WW-uitkering aangevuld tot het bedrag dat de betrokkene zou hebben ontvangen, indien zijn WW-uitkering zou zijn vastgesteld op basis van de ongemaximeerde berekeningsgrondslag.

4.1.3.

In artikel 22, vierde lid, van de BWNU 2014 is bepaald dat indien de toepassing van dit besluit voor de betrokkene tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt, die zich niet zou hebben voorgedaan als dit besluit niet in werking zou zijn getreden, de werkgever kan besluiten het door deze onbillijkheid voor de betrokkene ontstane nadeel geheel of gedeeltelijk te compenseren.

4.2.

Uit artikel 20 van BWNU 2017 volgt dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, in dit geval de bepalingen van de BWNU 2014 van toepassing zijn en niet de bepalingen van de BWNU 2017.

4.3.

Het college heeft zich in het bestreden besluit aangesloten bij het onder 1.2 weergegeven, onherroepelijk geworden besluit van het Uwv van 1 september 2017. Anders dan appellant heeft betoogd, acht de Raad deze keuze niet onjuist. Met het college is de Raad van oordeel dat uit de onder 4.1.2 weergegeven bepalingen van de BWNU 2014 volgt dat bij de verlening van een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering op grond van die regeling wordt uitgegaan van het in het kader van de WW vastgestelde dagloon. Wat appellant heeft aangevoerd over het ontslag per 1 januari 2016 en de garanties die zijn opgenomen in de daaraan voorafgegane vaststellingsovereenkomst, kan niet tot een ander oordeel leiden. Op basis van wat appellant in dit verband naar voren heeft gebracht, kan niet worden vastgesteld dat het college verplicht was tot vaststelling van een hoger dagloon per 1 januari 2016.

4.4.1.

Appellant heeft tot slot een beroep gedaan op de hardheidsclausule die is neergelegd in artikel 22, vierde lid, van de BWNU 2014. In de toelichting op deze bepaling is het volgende vermeld:

“In lid 4 is een hardheidsclausule opgenomen. Hierop kan in principe een beroep worden gedaan door iedere betrokkene die van mening is dat de overgang van WNU naar WW, ZW en dit besluit voor hem tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt.

Zo'n onbillijkheid kan bijvoorbeeld zijn het niet verkrijgen van een recht op WW en bovenwettelijke uitkering, terwijl er wel een WNU-recht zou zijn blijven bestaan als de WNU niet was ingetrokken. Door niet precies op elkaar aansluitende regelgeving kan dit zich voordoen bij bepaalde betrokkenen die in het buitenland verblijven.

Voorts kan de hardheidsclausule een oplossing bieden als doorwerking van WW-bepalingen in een bepaald geval een onevenredige uitwerking zou hebben.

Wil een beroep op de hardheidsclausule slagen, dan moet de betrokkene aantonen dat hij benadeeld is en dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, hetgeen impliceert dat het moet gaan om een aanzienlijke benadeling. Het moet voorts gaan om een benadeling die niet ook zou zijn opgetreden als de WNU van kracht was gebleven.”

4.4.2.

Gelet op de in 4.4.1 weergegeven toelichting heeft artikel 22, vierde lid, van de

BWNU 2014 geen betrekking op de situatie die in dit geval aan de orde is. Het beroep van appellant op deze bepaling slaagt daarom niet.

4.5.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop zij berust.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2020.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) F.E.M. Boon