Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3053

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
19/2880 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag door veelvuldig en structureel gebruik te hebben gemaakt van de aan hem ter beschikking gestelde dienstauto voor privédoeleinden. Appellant erkent het privégebruik als zodanig wel. Wat appellant in hoger beroep aanvoert, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij aan zijn beroep bij de rechtbank ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende aan de orde gesteld en gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen en maakt die tot de zijne, met dien verstande dat voor de staatssecretaris dient te worden gelezen de Kroon. Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in de situatie van de door appellant genoemde collega’s bij [onderdeel 2] sprake was van in relevante mate gelijke gevallen. Daartoe komt met name betekenis toe aan de omstandigheid dat appellant door zijn aanwezigheid bij de bijeenkomst op 25 januari 2017 en gelet op het ook door hem ontvangen verslag van die bijeenkomst op de hoogte was van de regels met betrekking tot het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden. In die zin was hij een gewaarschuwd man. Door niettemin te volharden in het wangedrag door nog ten minste vier niet toegestane ritten voor privédoeleinden te maken, waaronder in een geval hij ook een derde (zijn dochter) heeft vervoerd, onderscheidt de zaak van appellant zich van de gevallen waarnaar hij heeft verwezen. De rechtbank heeft het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel dan ook terecht afgewezen. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/558
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 2880 MAW

Datum uitspraak: 3 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 20 mei 2019, 18/3874 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Kroon, vertegenwoordigd door de Staatssecretaris van Defensie (Kroon)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens de Kroon is een verweerschrift ingediend en daarbij het Koninklijk Besluit van 22 november 2017, nr. 2017001874 overgelegd, waarbij appellant is ontslagen.

Namens appellant heeft mr. T.H. ten Wolde aanvullende gronden en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ten Wolde. De Kroon heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.J. Foliant en mr. A.A.S.J. Niekamp.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was 32 jaar werkzaam bij het Ministerie van Defensie, laatstelijk sinds december 2014 als [naam functie] bij [onderdeel 1] ( [onderdeel 1] ), afdeling [afdeling] in de rang van [rang] (Koninklijke Luchtmacht). Ten behoeve van deze functie is aan appellant een dienstauto ter beschikking gesteld.

1.2.

Appellant heeft op 25 januari 2017 een bijeenkomst over het gebruik van dienstauto’s bijgewoond. Een collega van appellant heeft op 26 januari 2017 per e-mail een verslag van deze bijeenkomst rondgestuurd aan onder meer appellant. Uit dit e-mailbericht blijkt dat de aanleiding voor de bijeenkomst was gelegen in de zaak met betrekking tot (privé)gebruik van dienstvoertuigen bij [onderdeel 2] ( [onderdeel 2] ) en de daaruit voortvloeiende aangifte bij de Koninklijke Marechaussee (KMar). Aan de orde is gesteld onder meer dat privégebruik van een dienstauto verboden is en dat het niet is toegestaan om derden, niet zijnde defensiepersoneel, onder wie kinderen, als passagier in het dienstvoertuig mee te nemen. Daarbij is gesproken over een grijs gebied, zoals tijdens piketdiensten waarop de regelingen voor dienstauto’s niet altijd van toepassing dan wel onduidelijk zijn. Voorts is in dit e-mailbericht vermeld dat steekproeven over het gebruik van de dienstauto kunnen worden gehouden aan de hand van het in de auto aanwezige gps trackingsysteem.

1.3.

Naar aanleiding van de uitkomsten van een eind 2016 gehouden onderzoek heeft appellant bij brief aan zijn leidinggevende van 26 juni 2017 erkend dat hij de dienstauto voor privédoeleinden heeft gebruikt. Ook heeft appellant hierin meegedeeld dat sinds de bijeenkomst van 25 januari 2017 voor hem een en ander duidelijker is geworden over het gebruik van de dienstauto en dat hijzelf kritischer is geworden over dat gebruik, zowel tijdens diensturen als voor wat betreft piketdiensten.

1.4.

Op 14 juli 2017 is appellant door een commissie van het [onderdeel 1] gehoord naar aanleiding van het vermoeden dat hij veelvuldig gebruik heeft gemaakt van dienstvervoer voor privédoeleinden. Appellant heeft daar verklaard dat de reden voor dit privégebruik is gelegen in ‘gemak, stress in zijn werksituatie en geen ander voertuig voorhanden hebben’. Voorts heeft appellant verklaard dat hij ook na 25 januari 2017 nog “zwarte kilometers” heeft gemaakt, wat ook blijkt uit de opgevraagde rittenstaat over de periode van 3 januari 2017 tot 13 juni 2017.

1.5.

Bij besluit van 17 juli 2017 is appellant vanwege dit privégebruik met ingang van 14 juli 2017 geschorst met toepassing van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder b, van het Algemeen militair ambtenarenreglement (AMAR) en is appellant geïnformeerd over het voornemen hem voor te dragen voor ontslag. In dat kader is appellant op 13 september 2017 gehoord door een commissie van het Commando [commando] en is aan hem de gelegenheid geboden zijn zienswijze naar voren te brengen. Appellant heeft verklaard dat in de periode maart tot en met november 2016 zeventien ritten dan wel ritcombinaties, buiten piketdiensten, naar niet direct werkgerelateerde adressen zijn gemaakt en in de periode januari tot en met juni 2017 vier ritten. Ook heeft appellant nogmaals meegedeeld dat de reden voor dit privégebruik was gelegen in een combinatie van stress, gemak en geen ander voertuig voorhanden hebben.

1.6.

Op voordracht van de Minister van Defensie van 23 oktober 2017 heeft de Kroon appellant bij besluit van 22 november 2017 ontslag verleend met ingang van 15 november 2017 op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR wegens wangedrag. Appellant wordt verweten dat hij veelvuldig en structureel gebruik heeft gemaakt van zijn dienstauto voor privédoeleinden. Dit ontslag is na bezwaar bij besluit van 18 april 2018 (bestreden besluit) gehandhaafd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat buiten gerede twijfel is dat appellant de hem verweten gedragingen heeft begaan en dat de staatssecretaris de aan appellant verweten gedragingen terecht heeft aangemerkt als ernstig wangedrag. Voorts heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is geworden dat appellant, gelet op zijn gemoedstoestand ten gevolge van het arbeidsconflict, de ontoelaatbaarheid van zijn wangedrag niet heeft kunnen inzien en niet in staat was overeenkomstig dat inzicht te handelen en de verweten gedragingen achterwege te laten. Naar het oordeel van de rechtbank is aldus sprake van aan appellant toerekenbaar wangedrag. Ook is de rechtbank van oordeel dat het ontslag niet onevenredig is met de aard en ernst van het wangedrag. Hiertoe acht de rechtbank van belang dat appellant veelvuldig “zwarte ritten” heeft gemaakt die niet aan de dienst gerelateerd konden worden en hij zelfs na de bijeenkomst op 25 januari 2017 nog een viertal ritten heeft gemaakt waarvan hij wist dat ze onrechtmatig waren. Hiermee heeft appellant het noodzakelijk in hem gestelde vertrouwen ernstig geschonden en wordt op goede gronden getwijfeld aan zijn integriteit. Van militairen wordt een hoge mate van professionaliteit verwacht en daarbij hoort geven van het juiste voorbeeld. Dit geldt in het bijzonder voor een (hoofd)officier met een staat van dienst van meer dan 32 jaar. Tot slot is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op willekeur. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat het in de door hem genoemde zaken betreffende een drietal militairen bij [onderdeel 2] in essentie gelijke gevallen betreffen.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Op grond van artikel 39, tweede lid, aanhef en onder l, van het AMAR kan aan de militair ontslag worden verleend wegens wangedrag in de dienst, dan wel buiten de dienst voor zover dit gedrag schadelijk is of kan zijn voor de dienstvervulling of niet in overeenstemming is met het aanzien van zijn ambt.

4.2.

Voor de constatering van plichtsverzuim dat tot het opleggen van een disciplinaire maatregel aanleiding kan geven is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 15 september 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BT1997) noodzakelijk dat op basis van de beschikbare, deugdelijk vastgestelde gegevens de overtuiging is verkregen dat de betrokken ambtenaar de hem verweten gedragingen heeft begaan. Deze rechtspraak is ook van toepassing op wangedrag.

4.3.

Bij de vraag of het wangedrag is aan te merken als toerekenbaar wangedrag is volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 november 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3895) van belang of de ambtenaar de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. Het ligt op de weg van de ambtenaar aannemelijk te maken dat het wangedrag hem niet kan worden toegerekend.

4.4.

Appellant wordt verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag door veelvuldig en structureel gebruik te hebben gemaakt van de aan hem ter beschikking gestelde dienstauto voor privédoeleinden.

4.5.

Appellant erkent het privégebruik als zodanig wel. Ter verontschuldiging voor zijn gedrag voert hij in hoger beroep, evenals in beroep, aan dat sprake is van onduidelijke dan wel bij hem onbekende regelgeving en dat hij niet eerder is gewaarschuwd voor het niet toegestane privégebruik. Ook acht hij de straf van ontslag onevenredig zwaar in vergelijking met een drietal collega’s die voor vergelijkbare gedragingen slechts een waarschuwing hebben gekregen. Daarnaast wijst appellant op de verstoorde arbeidsrelatie met zijn toenmalig leidinggevende K.

4.6.

Wat appellant in hoger beroep aanvoert, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij aan zijn beroep bij de rechtbank ten grondslag heeft gelegd. De rechtbank heeft deze gronden afdoende aan de orde gesteld en gemotiveerd verworpen. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de aan dit oordeel ten grondslag liggende overwegingen en maakt die tot de zijne, met dien verstande dat voor de staatssecretaris dient te worden gelezen de Kroon. Daaraan wordt nog het volgende toegevoegd.

4.7.

Ook in hoger beroep heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat in de situatie van de door appellant genoemde collega’s bij [onderdeel 2] sprake was van in relevante mate gelijke gevallen. Daartoe komt met name betekenis toe aan de omstandigheid dat appellant door zijn aanwezigheid bij de bijeenkomst op 25 januari 2017 en gelet op het ook door hem ontvangen verslag van die bijeenkomst op de hoogte was van de regels met betrekking tot het gebruik van de dienstauto voor privédoeleinden. In die zin was hij een gewaarschuwd man. Door niettemin te volharden in het wangedrag door nog ten minste vier niet toegestane ritten voor privédoeleinden te maken, waaronder in een geval hij ook een derde (zijn dochter) heeft vervoerd, onderscheidt de zaak van appellant zich van de gevallen waarnaar hij heeft verwezen. De rechtbank heeft het beroep op schending van het gelijkheidsbeginsel dan ook terecht afgewezen.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en T. Avedissian en J.C.F. Talman als leden, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 3 december 2020.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) F.E.M. Boon