Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3035

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
18/6453 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terecht geweigerd WIA-uitkering toe te kennen. Geconcludeerd moet worden dat buiten twijfel staat dat de gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan de arbeidsongeschiktheid tijdens de wachttijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 6453 WIA

Datum uitspraak: 2 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 november 2018, 18/2088 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C. Steijgerwalt, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante heeft mr. R.A. Röschlau, advocaat, zich als gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 21 oktober 2020. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Röschlau. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J. Sjoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante heeft voor het laatst gewerkt als kapster voor 21,67 uur per week. Op 27 december 2013 heeft appellante zich ziek gemeld met schildklierproblemen. Appellante heeft haar werk gedeeltelijk hervat. Bij besluit van 20 januari 2016 heeft het Uwv geweigerd appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 28 januari 2016 een WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is. Aan het besluit liggen onder meer een rapport van 6 januari 2016 van een verzekeringsarts en een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van diezelfde datum ten grondslag. Bij beslissing op bezwaar van 22 december 2017 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 januari 2016 niet‑ontvankelijk verklaard, wegens niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

1.2.

Appellante heeft zich op 17 mei 2017 ziek gemeld. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 15 augustus 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 11 oktober 2017 geweigerd om appellante per 17 mei 2017 een WIA-uitkering toe te kennen. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat de beperkingen van appellante uit dezelfde oorzaak niet zijn toegenomen binnen vijf jaar na de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling per 28 januari 2016. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 20 april 2018 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van 19 april 2018 van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.1.

In hoger beroep heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het Uwv er in is geslaagd buiten twijfel aan te tonen dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak. Uit de medische verklaringen blijkt dat de vermoeidheidsklachten ook een rol hebben gespeeld bij de ziekmelding in 2017. Dat dit niet concreet door appellante is gemeld mag haar niet kwalijk worden genomen. De klachten aan armen en schouder zijn oude klachten die ook bij de oorspronkelijke ziekmelding een rol hebben gespeeld. Daarbij blijkt uit de verklaring van 15 februari 2018 van orthopedisch chirurg dr. A. de Gast dat er een verband is tussen de duur van de schouderklachten en de verstoorde schildklierfunctie.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

In dit geding gaat het om de vraag of appellante, gelet op artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA, op grond van toegenomen arbeidsongeschiktheid per 17 mei 2017 zonder inachtneming van een wachttijd recht heeft op een WIA‑uitkering. Daartoe is vereist dat appellante binnen vijf jaar na 28 januari 2016 meer dan 35% arbeidsongeschikt is geworden en de arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan zij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid. Het moet dus gaan om een toename van de oorspronkelijke klachten. Dit betekent tevens, dat alleen de klachten die een rol speelden bij de beoordeling per einde wachttijd in de zin dat daarvoor toen beperkingen zijn aangenomen, in aanmerking genomen kunnen worden (zie de uitspraken van de Raad van 28 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3776, en van 27 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:636).

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad moet buiten twijfel staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak, wil het bepaalde in artikel 55 van de Wet WIA niet van toepassing zijn. Daarbij rust de bewijslast in beginsel op degene die stelt dat er geen causaal verband is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 22 augustus 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:2791). Bij een toename van beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak zal het veelal gaan om een toename van in de eerdere FML opgenomen beperkingen, maar ook is mogelijk dat een dergelijke toename ertoe leidt dat beperkingen worden aangenomen in een rubriek waarin destijds geen beperkingen zijn aangenomen. (zie de uitspraak van de Raad van 27 februari 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:636).

4.3.

Bij de beoordeling van een geschil over toegenomen arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak als bedoeld in de Wet WIA, wordt volgens vaste rechtspraak van de Raad ten aanzien van deze begrippen aangesloten bij de rechtspraak over artikel 43a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (uitspraak van de Raad van 12 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8792).

4.4.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of bij appellante ten opzichte van 28 januari 2016 sprake was van toegenomen beperkingen per 17 mei 2017. In de FML van 6 januari 2016 die ten grondslag heeft gelegen aan de weigering van een WIA‑uitkering per 28 januari 2016, zijn beperkingen aangenomen in verband met vermoeidheidsklachten als gevolg van de schildklierproblematiek. Appellante heeft zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met met name schouderklachten links. Dat de vermoeidheidsklachten zijn toegenomen, is daarbij niet vermeld. Een verzekeringsarts heeft geconstateerd dat appellante niet geschikt is voor schouderbelastend werk als gevolg van een frozen shoulder en hierdoor niet geschikt is om de eerder geselecteerde WIA-functies te vervullen. De verzekeringsarts heeft de vraag of de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde oorzaak als die op grond waarvan zij gedurende de wachttijd ongeschikt was voor haar arbeid, ontkennend beantwoord. Het Uwv heeft vastgesteld dat appellante recht heeft op ziekengeld en na een wachttijd van 104 weken, op een WIA-uitkering.

4.5.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de conclusie van het Uwv dat op 17 mei 2017 geen sprake is van toegenomen beperkingen, afdoende is onderbouwd. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat appellante geen recht op een WIA‑uitkering heeft, omdat sprake is van een ziekteoorzaak, te weten schouderklachten, die niet reeds in de FML bij de beoordeling per einde wachttijd tot beperkingen heeft geleid en om die reden niet als dezelfde ziekteoorzaak kan worden opgevat. Uit de medische informatie van de huisarts en de orthopedisch chirurg is gebleken dat de schouderklachten waarschijnlijk sinds september 2016 aanwezig zijn. Appellante heeft terecht naar voren gebracht dat uit het verslag van de bedrijfsarts van 7 september 2015 blijkt, dat zij toen het idee had dat kracht in de armen wat minder was en dat zij ’s nachts tintelingen in de armen had. Uit het rapport en de per einde wachttijd opgestelde FML van 6 januari 2017, blijkt echter dat deze klachten bij de WIA‑beoordeling niet door appellante zijn gemeld en ook niet door de verzekeringsarts zijn aangeduid als oorzaak van een beperking bij appellante. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 13 juni 2018 gemotiveerd dat klachten van de armen met mogelijk een licht krachtsverlies, klachten van een geheel andere origine zijn dan de klachten van een frozen shoulder waarbij juist de functie van de schouder fors beperkt is.

4.6.

Anders dan appellante heeft aangevoerd, is ook uit de door haar in bezwaar ingezonden informatie van 26 oktober 2017 van orthopedisch chirurg dr. De Gast niet op te maken dat de frozen shoulder is ontstaan door de verstoorde schilklierfunctie. Zoals blijkt uit de vaste rechtspraak van de Raad, kan een risicofactor niet op één lijn worden gesteld met een ziekteoorzaak (uitspraak van de Raad van 19 februari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:498). Zoals onder 4.1 is overwogen, gaat het om de vraag of de schouderklachten voortkomen uit de verstoorde schildklierfunctie, niet of er een relatie bestaat tussen de aandoeningen.

4.7.

Gelet op de overwegingen in 4.5 en 4.6 moet geconcludeerd worden dat buiten twijfel staat dat de gestelde toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak dan de arbeidsongeschiktheid tijdens de wachttijd.

4.8.

Uit wat in 4.1 tot en met 4.7 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal daarom worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door E.W. Akkerman, in tegenwoordigheid van A.M.M. Chevalier als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2020.

(getekend) E.W. Akkerman

(getekend) A.M.M. Chevalier