Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:303

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
13-02-2020
Datum publicatie
17-02-2020
Zaaknummer
18/2680 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Een nieuw NPO is de enige manier om een verslechtering van de cognitieve klachten en beperkingen te objectiveren. Voor het onderpresteren zijn geen duidelijke aanwijzingen naar voren zijn gekomen wat dit onderpresteren heeft veroorzaakt waardoor geen objectivering van de gestelde cognitieve verslechtering. De in hoger beroep ingediende stukken van Pro Persona bevatten geen nieuwe medische feiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0241
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2680 ZW

Datum uitspraak: 13 februari 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

6 april 2018, 17/4236 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.C. Cornelisse, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2020. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Cornelisse. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is werkzaam geweest als instructeur bij Defensie voor 40 uur per week. In 2011 heeft appellant een auto-ongeval gehad. Na revalidatie heeft hij in 2012 hervat in zijn werk als instructeur. Zijn dienstverband is op 1 juni 2015 geëindigd. Appellant heeft zich op

1 februari 2017 ziek gemeld met neurologisch-psychologische klachten. Op dat moment ontving hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet.

1.2.

Op 14 maart 2017 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft appellant per 1 februari 2017 geschikt geacht voor de laatst verrichte arbeid in de functie van instructeur. Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 17 maart 2017 geweigerd appellant per 1 februari 2017 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 5 juli 2017 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de geschiktheid van appellant voor de

maatgevende arbeid op de datum in geding in de rapporten van de verzekeringsartsen op

inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant na het ongeval in 2011 een neuropsychologisch onderzoek (NPO) heeft gehad in 2012 en tot beëindiging van zijn dienstverband in 2015 zijn eigen werk van instructeur heeft uitgeoefend. De verzekeringsarts heeft gesteld dat de nu gestelde klachten en belemmeringen niet geobjectiveerd kunnen worden, omdat het NPO uit 2012 een nagenoeg normale uitslag kende. Neuroloog Burgers heeft in haar brief van 26 juni 2017 laten weten dat geen betrouwbaar nieuw NPO heeft kunnen plaatsvinden door onderpresteren en dat er geen duidelijke oorzaken zijn gevonden die verklaren waardoor het onderpresteren is veroorzaakt. Op grond hiervan heeft ook de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen klachten. Het in beroep ingezonden verslag van het door registerpsycholoog NIP/Arbeid Achterveld op 3 november 2017 uitgevoerde NPO heeft de rechtbank niet tot een ander oordeel geleid. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in haar rapport van 6 maart 2018 heeft geconcludeerd dat uit dit NPO geen nieuwe informatie blijkt over de datum in geding die een wijziging van de beperkingen met zich meebrengt. De rechtbank heeft in dit verband opgemerkt dat de vraagstelling is gericht op een mogelijke verslechtering op 3 november 2017 vergeleken met het in 2012 uitgevoerde NPO. Het onderzoek is verricht op 3 november 2017, terwijl het bij de beëindiging van de uitkering gaat om l februari 2017. Uit het onderzoek blijkt niet dat de beoordeling ziet op de datum in geding die in deze zaak een rol speelt. De rechtbank heeft overwogen geen aanleiding te zien om een onafhankelijke deskundige te benoemen.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij op de datum in geding niet geschikt is voor het werk als instructeur. Uit het NPO van 3 november 2017 blijkt volgens hem dat er ten opzichte van de resultaten van het NPO uit 2012 sprake is van een duidelijke verslechtering van het mentale en cognitieve functioneren. De concrete resultaten in getallen op de diverse tests vallen bij het NPO van 3 november 2017 lager uit. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat zijn cognitieve beperkingen zijn onderschat, heeft appellant stukken van Pro Persona overgelegd, waaronder een brief van 23 maart 2018 van een psychiater, en een evaluatie behandelplan van 3 december 2019 van een klinisch neuropsycholoog. Appellant heeft de Raad verzocht om alsnog een onafhankelijke deskundige te benoemen.

3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 27 september 2018 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft een verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding verrichte arbeid. Op grond van artikel 19, vijfde lid, van de ZW wordt voor een verzekerde die geen werkgever heeft onder ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid verstaan: ongeschiktheid tot het verrichten van werkzaamheden die bij een soortgelijke werkgever gewoonlijk kenmerkend zijn voor zijn arbeid.

4.2.

Wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt geen aanleiding anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan. De Raad onderschrijft de overwegingen en het oordeel van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. Daaraan wordt toegevoegd dat de verzekeringsarts te kennen heeft gegeven dat een nieuw NPO de enige manier is om een verslechtering van de cognitieve klachten en beperkingen te objectiveren. Vervolgens heeft appellant in bezwaar zelf een NPO laten uitvoeren. De uitvoerende neuroloog heeft daarop bericht dat geen betrouwbaar NPO heeft kunnen plaatsvinden door onderpresteren en dat er na een extra diagnostisch gesprek geen duidelijke aanwijzingen naar voren zijn gekomen wat dit onderpresteren heeft veroorzaakt. Met dit NPO is dus geen objectivering van de gestelde cognitieve verslechtering gegeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn standpunt dat deze objectivering ook niet wordt gegeven met het daarna op 3 november 2017 uitgevoerde NPO. Hij heeft dit standpunt in beroep voldoende gemotiveerd door erop te wijzen dat het eerdere niet betrouwbare NPO van juni 2017 niet bij dit nieuwe NPO is betrokken omdat appellant bij het NPO in november 2017 niet had gemeld dat hij een half jaar eerder ook een NPO had ondergaan, en dat, met het uitvoeren van een NPO binnen een half jaar na het vorige sprake kan zijn van een leereffect. Bovendien is geen symptoomvalidatietest beschreven zodat deze kennelijk niet is verricht. Uit de hoger beroep overgelegde stukken volgt evenmin een objectivering van de gestelde toename van beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep wordt gevolgd in zijn conclusie dat de stukken van Pro Persona geen nieuwe medische feiten bevatten. De klachten heeft de psychiater nu samengevat in een (beschrijvende) diagnose somatische symptoomstoornis en deze diagnose leidt niet tot een andere conclusie over de belastbaarheid op de datum in geding. Uit het evaluatie behandelplan van 3 december 2019 blijkt vooral een beschrijving van het verloop van de behandeling en wordt de diagnose somatische symptoomstoornis ook genoemd.

4.3.

Omdat de daartoe benodigde twijfel ontbreekt, wordt het verzoek om een onafhankelijke deskundige te benoemen afgewezen.

5. De overwegingen 4.2 en 4.3 leiden tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door T. Dompeling, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2020.

(getekend) T. Dompeling

(getekend) F.E.M. Boon