Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3027

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
03-12-2020
Zaaknummer
18/2843 WSFBSF
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Studiefinanciering terecht herzien en teruggevorderd. Niet woonachtig op brp-adres. De rechtbank heeft het tegenbewijs ten onrechte opgevat en beoordeeld als bewijs ter weerlegging van het wettelijk vermoeden in plaats van als bewijs van wonen op het brp-adres op de datum van het huisbezoek. Het wettelijk vermoeden speelt geen zelfstandige rol bij de beoordeling in beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

18 2843 WSFBSF

Datum uitspraak: 2 december 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 11 april 2018, 16/2426 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.S. Kat, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van videobellen plaatsgevonden op 28 oktober 2020. Voor appellant heeft mr. Kat aan de zitting deelgenomen. Namens de minister heeft drs. P.M.S. Slagter aan de zitting deelgenomen.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is sinds 20 januari 2015 ingeschreven in de basisregistratie personen (brp) onder het adres [adres 1] te [woonplaats]. Hij heeft vanaf 1 februari 2015 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) ontvangen, berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.

1.2.

Op 16 februari 2016 hebben twee controleurs in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is een huisbezoek afgelegd op het brp‑adres om te controleren of appellant op dat adres woont. Van dit huisbezoek is een rapport opgemaakt.

1.3.

De minister heeft op basis van de bevindingen van het onderzoek bij besluit van 27 februari 2016, gehandhaafd bij besluit van 6 mei 2016 (bestreden besluit), de aan appellant toegekende studiefinanciering met ingang van 1 februari 2015 herzien. Appellant is daarbij vanaf die datum als thuiswonende studerende aangemerkt. De minister heeft daarnaast een bedrag van € 2.666,14 van hem teruggevorderd.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de minister aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. De minister heeft zijn standpunt dat appellant ten tijde van de controle niet woonde op zijn brp-adres kunnen baseren op de bevindingen van de controle op 16 februari 2016. Uit de rapportage blijkt dat op het adres geen persoonlijke spullen van appellant zijn aangetroffen, zoals aan hem gerichte poststukken, administratie, schoolspullen en kleding. Ook in de kamer waar appellant stelt te verblijven zijn geen eigendommen aangetroffen die tot hem herleidbaar zijn. Uit de bevindingen is gebleken dat er zich in die kamer een commode en een linnenkast bevonden die waren gevuld met kleding van het neefje van appellant. Dat er zich in die kamer een kast bevond waarover appellant ter zitting heeft verklaard dat hij daarin zijn post/administratie en een deel van zijn schoolspullen in had opgeborgen, acht de rechtbank niet geloofwaardig. De door appellant in beroep overgelegde verklaringen van zijn mentor en medestudenten inzake zijn studie en boekenpakket, zeggen op zichzelf niets over zijn feitelijke woonplaats. De verklaring van de bewoners van de woning aan de [adres 2], is achteraf opgesteld en onvoldoende concreet en verifieerbaar, nu de getuigen niet zijn te achterhalen omdat identiteitsbewijzen ontbreken. Uit de rapportage blijkt dat de schoonzus van appellant volgens de controleurs de Nederlandse taal goed beheerst en er geen moment sprake is geweest van een spraakverwarring. De schoonzus gaf antwoord op de gestelde vragen en heeft de verklaring nadat deze aan haar was voorgelezen en haar de gelegenheid was geboden om de verklaring te wijzigen of aan te passen, ondertekend. Dat de schoonzus van appellant de gang van zaken niet kon begrijpen vanwege een onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal, is door appellant onvoldoende onderbouwd.

3. Appellant heeft in hoger beroep betoogd dat de minister niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan. Daartoe is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte niet relevant heeft geacht dat appellant zijn studieboeken in een kluisje op school had. Het feit dat er op het brp-adres geen boeken konden worden getoond, mocht aan het bestreden besluit niet ten grondslag worden gelegd. Verder is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de getuigenverklaringen onvoldoende concreet en verifieerbaar waren. Zij heeft daarbij miskend dat er geen wettelijke verplichting bestaat om bij een getuigenverklaring een kopie van een legitimatiebewijs van de getuige te voegen. De getuigen zijn op andere wijze te achterhalen, nu hun namen en handtekeningen op de verklaringen staan. Dat een verklaring achteraf is opgesteld, betekent niet, anders dan de rechtbank kennelijk oordeelt, dat daaraan geen betekenis kan worden toegekend. Appellant heeft er verder op gewezen dat zijn schoonzus, anders dan de rapporteurs in het rapport vermelden, de Nederlandse taal niet goed machtig is. Er zijn bovendien meer foto’s gemaakt dan bij het rapport overgelegd.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de minister met de bevindingen van het huisbezoek aannemelijk heeft gemaakt dat appellant ten tijde van het huisbezoek niet woonde op het brp-adres. Uit het rapport van het huisbezoek valt af te leiden dat tijdens het huisbezoek op de getoonde kamer geen spullen zijn aangetroffen die naar appellant te herleiden zijn. Waar appellant stelt dat hij ten tijde van het huisbezoek al ruim een jaar op het brp-adres woont, valt redelijkerwijs te verwachten dat zich daar specifiek tot hem te herleiden persoonlijke spullen bevinden waaruit kan worden afgeleid dat hij daar woont. Daar komt bij dat op de als kamer van appellant getoonde kamer vooral spullen van het zoontje van de hoofdbewoners zijn aangetroffen. De aanwezigheid van deze spullen op die kamer wijst er evenmin op dat appellant daar zijn hoofdverblijf heeft. De stelling dat appellant een sportopleiding volgt biedt geen afdoende verklaring voor de totale afwezigheid van spullen die passen bij die opleiding. De overgelegde verklaring van een buurman van het brp-adres geeft geen reden tot twijfel aan de door de minister uit de bevindingen en waarnemingen van de controleurs getrokken conclusie. Daargelaten dat wegens het ontbreken van een afschrift van een legitimatiebewijs de authenticiteit van deze verklaring niet is komen vast te staan, bevat deze verklaring geen (gedetailleerde) informatie ten aanzien van de feitelijke woonsituatie op het brp-adres. Een structureel verblijf op het brp-adres kan daaruit niet worden afgeleid. Dat geldt ook voor de overige in beroep overgelegde verklaringen.

4.2.

Voor zover appellant in hoger beroep gronden heeft herhaald die hij in beroep heeft aangevoerd, kan worden vastgesteld dat de rechtbank deze heeft besproken. De rechtbank heeft gemotiveerd waarom deze gronden niet slagen. Uit het hogerberoepschrift blijkt niet waarom dat oordeel onjuist zou zijn. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en verwijst voor de motivering daarvan naar de overwegingen van de rechtbank.

4.3.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met verbetering van de gronden waarop deze rust. De rechtbank heeft het in bezwaar en beroep door appellant geleverde tegenbewijs ten onrechte opgevat en beoordeeld als bewijs ter weerlegging van het wettelijk vermoeden in plaats van als bewijs van wonen op het brp-adres op de datum van het huisbezoek. Nu appellant in beroep niet heeft gesteld dat de feitelijke situatie ten tijde van het huisbezoek – in relevante mate – afweek van (een deel van) de periode daaraan voorafgaand, speelde het wettelijk vermoeden geen zelfstandige rol bij de beoordeling in beroep. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 22 mei 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:1692.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries, in tegenwoordigheid van F.E.M. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2020.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) F.E.M. Boon