Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:3001

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
20/1126 MPW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening. Met verzoeker is de Raad van oordeel dat de verklaring van W kan worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De vraag of dit vervolgens tot een herziening van de uitspraak kan leiden moet ontkennend worden beantwoord. In het licht van de eerdere stellige ontkenning door W dat verzoeker aan de oefening heeft deelgenomen en de door verzoeker gegeven toelichting wat W heeft doen besluiten om tot een nieuwe verklaring te komen, heeft die verklaring de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen dat W uitsluitend uit eigen wetenschap tot de nieuwe verklaring is gekomen. Mede in aanmerking genomen de verklaringen die in de eerdere procedure door de rechtbank en de Raad zijn beoordeeld, komt aan de verklaring van W dan ook onvoldoende bewijskracht toe. Aldus is niet voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, onder c, van de Awb. Hieruit volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2020/562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

20 1126 MPW

Datum uitspraak: 26 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om herziening van de uitspraak van de Raad van 30 november 2017, 16/5070 MPW

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (verzoeker)

de Minister van Defensie (minister)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. G.F. Hovestad, advocaat, om herziening verzocht van de hiervoor vermelde uitspraak van 30 november 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4159.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2020. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Hovestad en luitenant-generaal b.d. [naam luitenant-generaal b.d.]. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.M. van der Weijden.

OVERWEGINGEN

1.1.

Verzoeker was per 1 maart 1971 aangesteld als tijdelijk [functie] bij het wapen der infanterie van de [Dienstonderdeel]. Per 1 juni 2006 is hem in de rang van [rang] ontslag verleend wegens het bereiken van de leeftijd van zestig jaar.

1.2.

Bij na bezwaar gehandhaafd besluit van 24 november 2014 heeft de minister afwijzend beslist op de aanvraag van verzoeker om toekenning van een reservistenpensioen. Dit op de grond dat verzoeker niet beschikt over de benodigde uren aan doorgebrachte tijd in werkelijke dienst. In dat verband is geconcludeerd dat de gestelde deelname van verzoeker aan de oefening [oefening] van [periode] 1987 niet (genoegzaam) is komen vast te staan.

1.3.

Bij uitspraak van 22 juni 2016, 14/11770, heeft de rechtbank Den Haag het beroep van verzoeker tegen het besluit van 24 november 2014 ongegrond verklaard.

1.4.

De Raad heeft bij uitspraak van 30 november 2017, waarvan herziening is verzocht, de uitspraak van de rechtbank Den Haag bevestigd. Geoordeeld is dat in de gegevens van Defensie geen aanwijzing is gevonden voor deelname van verzoeker aan [oefening] en dat verzoeker er evenmin in is geslaagd de deelname aannemelijk te maken. Overwogen is dat de minister de twee in bezwaar overgelegde verklaringen van personen die bij de oefening aanwezig zijn geweest terzijde heeft mogen schuiven omdat er concrete aanwijzingen waren dat deze verklaringen valselijk zijn opgemaakt. Aan de in hoger beroep overgelegde en bij notariële opgemaakte verklaring van F. is de Raad voorbijgegaan omdat F. heeft verklaard niet zeker te zijn van deelname van verzoeker aan de oefening [oefening]. Verder is overwogen dat uit de stukken naar voren komt dat een andere deelnemer aan de oefening met volledige stelligheid heeft verklaard dat verzoeker niet heeft deelgenomen aan de oefening [oefening].

2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

Op grond van 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de Raad op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn en

c. waren zij bij de Raad eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2.

Het bijzondere rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om - eventueel op basis van andere argumenten - een hernieuwde discussie over de zaak te voeren, noch om een discussie over de betrokken uitspraak te openen, maar strekt er in beginsel toe om een rechterlijke uitspraak die berust op een naderhand onjuist gebleken feitelijk uitgangspunt te redresseren. Slechts aangelegenheden van feitelijke aard kunnen tot herziening leiden (uitspraak van
26 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2180).

2.3.

Als nieuw feit of nieuwe omstandigheid heeft verzoeker gesteld dat de in de uitspraak bedoelde “andere deelnemer aan de oefening” de brigade-generaal b.d. W betreft en dat W door Defensie op het verkeerde been is gezet als gevolg waarvan hij een verklaring heeft afgegeven die met name tot het voor verzoeker negatieve oordeel van de Raad heeft geleid. W had op basis van de onjuiste gegevensverstrekking en vraagstelling door Defensie de verkeerde persoon voor de geest. De nu overgelegde brief van W van 21 september 2019 ondersteunt de verklaringen van anderen, aldus verzoeker.

2.4.

De minister heeft zich primair op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of omstandigheden zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

2.5.

Met verzoeker is de Raad van oordeel dat de verklaring van W kan worden aangemerkt als een nieuw feit of omstandigheid als bedoeld in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. De vraag of dit vervolgens tot een herziening van de uitspraak kan leiden moet ontkennend worden beantwoord. In het licht van de eerdere stellige ontkenning door W dat verzoeker aan de oefening heeft deelgenomen en de door verzoeker gegeven toelichting wat W heeft doen besluiten om tot een nieuwe verklaring te komen, heeft die verklaring de Raad niet tot de overtuiging kunnen brengen dat W uitsluitend uit eigen wetenschap tot de nieuwe verklaring is gekomen. Mede in aanmerking genomen de verklaringen die in de eerdere procedure door de rechtbank en de Raad zijn beoordeeld, komt aan de verklaring van W dan ook onvoldoende bewijskracht toe. Aldus is niet voldaan aan het vereiste van artikel 8:119, eerste lid, onder c, van de Awb.

2.6.

Uit 2.5 volgt dat het verzoek om herziening moet worden afgewezen.

3. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om herziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H. Lagas, in tegenwoordigheid van M.E. van Donk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2020.

(getekend) H. Lagas

(getekend) M.E. van Donk