Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2996

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
02-12-2020
Zaaknummer
19/3064 WMO15
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. De Raad voegt hier nog aan toe dat appellant ook in hoger beroep zijn stelling dat hij vanwege knie-, voet- en vermoeidheidsklachten niet in staat is om te fietsen niet met medische gegevens heeft onderbouwd. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 3064 WMO15

Datum uitspraak: 25 november 2020

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 mei 2019, 18/3426 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.E.M.C. Koudijs, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 oktober 2020. Appellant is verschenen, vergezeld door [naam tolk] als tolk en bijgestaan door mr. Koudijs. Mr. M. Hofstee heeft namens het college door middel van beeldbellen deelgenomen aan de zitting.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is bekend met diabetes en een leveraandoening, waarvoor hij in 1993 een levertransplantatie heeft ondergaan. Daarnaast heeft hij knieklachten en vermoeidheidsklachten. In verband hiermee heeft hij het college verzocht hem op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) een maatwerkvoorziening in de vorm van een scootmobiel te verstrekken.

1.2.

Bij besluit van 16 april 2018, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juli 2018 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag van appellant afgewezen. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat uit het medisch advies van Treve van 5 april 2018 volgt dat er geen medische noodzaak is voor een vervoermiddel op meer dan twee wielen. Appellant wordt in staat geacht gebruik te kunnen maken van een fiets, eventueel met een hulpmotor.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de stellingen van appellant geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het medisch advies van Treve van 5 april 2018 onzorgvuldig tot stand is gekomen. De arts van Treve heeft de beschikbare (medische) informatie bestudeerd en betrokken in zijn beoordeling. In zijn advies heeft hij eenduidig en inzichtelijk uiteengezet hoe hij tot zijn beoordeling is gekomen. Appellant heeft geen medische informatie overgelegd ter onderbouwing van zijn stelling dat hij vanwege zijn knie- en vermoeidheidsklachten niet in staat zou zijn om zich in zijn directe woonomgeving te fiets te verplaatsen. Verwijzing naar besluitvorming inzake een gehandicaptenparkeerkaart kan appellant niet baten, omdat de toetsingscriteria voor de toekenning van een gehandicaptenparkeerkaart en de verstrekking van een scootmobiel verschillend zijn. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op het advies van Treve van 5 april 2018 heeft mogen baseren en op grond daarvan zich op het standpunt heeft mogen stellen dat appellant gebruik kan maken van een fiets (eventueel met hulpmotor) om zich in zijn directe woonomgeving te verplaatsen. De rechtbank heeft daarbij aangetekend dat uit de gedingstukken blijkt dat appellant in een gesprek met de consulent van het college en bij Treve heeft verklaard dat hij kan fietsen en dat hij gebruik maakt van een fiets van een dochter. De stelling van appellant dat sprake is van een noodzaak voor verstrekking van een scootmobiel om maatschappelijk te kunnen participeren heeft de rechtbank niet onderschreven.

3. In hoger beroep heeft appellant verwezen naar wat door hem in bezwaar en beroep is aangevoerd. Hij heeft, onder verwijzing naar een door zijn dochter opgestelde verklaring, herhaald dat hij gelet op zijn knie-, voet- en vermoeidheidsklachten niet in staat is om gebruik te maken van een fiets om korte en middellange afstanden te overbruggen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant heeft in hoger beroep geen wezenlijk nieuwe of andere gronden naar voren gebracht of redenen vermeld waarom de rechtbank tot een ander oordeel had moeten komen. Appellant heeft zich beperkt tot het herhalen van de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden.

4.2.

De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom deze niet leiden tot een vernietiging van het bestreden besluit.

4.3.

De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig en volstaat met een verwijzing daarnaar. De Raad maakt dan ook het oordeel waartoe de rechtbank op grond van deze overwegingen is gekomen tot het zijne. De Raad voegt hier nog aan toe dat appellant ook in hoger beroep zijn stelling dat hij vanwege knie-, voet- en vermoeidheidsklachten niet in staat is om te fietsen niet met medische gegevens heeft onderbouwd.

4.4.

Uit wat onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door D.S. de Vries als voorzitter en H. Benek en D. Hardonk-Prins als leden, in tegenwoordigheid van F. Boon als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 november 2020.

(getekend) D.S. de Vries

(getekend) F. Boon