Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2020:2994

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-11-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
19/5051 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uit de gegevens komt naar voren dat het Uwv serieus heeft getracht het door de Raad vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek te herstellen. Wat daaruit ook naar voren komt, is dat – gezien het tijdsverloop en de aanzienlijke wijziging in de medische situatie van appellant, opgetreden naar aanleiding van een hem overkomen tweede ongeval in 2018 – een zuivere en volledige heroverweging in bezwaar van het besluit van 5 april 2016 niet meer mogelijk is. Gelet op de eerder als onzorgvuldig beoordeelde gang van zaken bij het Uwv, kan dat echter niet voor rekening en risico van appellant komen. Dit maakt dat geen andere uitkomst mogelijk is dan de vaststelling dat het recht op ziekengeld van appellant ten onrechte is beëindigd per 22 mei 2016. Hieruit volgt dat het beroep van appellant slaagt. Het bestreden besluit zal wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 5 april 2016 te herroepen. Gevolg hiervan is dat het recht op ziekengeld na 22 mei 2016 is doorgelopen tot het einde van de wachttijd van 104 weken. Proceskostenveroordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2021/26
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

19 5051 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het beroep tegen het besluit van de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen van 24 oktober 2019

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 november 2020

PROCESVERLOOP

Bij uitspraak van 18 april 2019, (ECLI:NL:CRVB:2019:1371), heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant vernietigd en met toepassing van artikel 8:113, tweede lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat tegen het door Uwv nieuw te nemen besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.

Bij besluit van 24 oktober 2019 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Namens appellant heeft mr. E. Akdeniz, advocaat, tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2020 (via videobellen) en op

30 september 2020. Appellant is bij beide zittingen in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Akdeniz. Het Uwv heeft zich bij beide zittingen laten vertegenwoordigen door

L. den Hartog.

OVERWEGINGEN

1.1.

Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de uitspraak van 18 april 2019. Hij voegt daar het volgende aan toe.

1.2.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van 18 april 2019 is appellant uitgenodigd voor het spreekuur van een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Op dat spreekuur waren tevens aanwezig een zwager van appellant en een tolk. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in een rapport van 28 juni 2019 de onderzoeksgegevens als volgt verwoord:

“Cliënt lijkt ondanks de tolk geen samenhangend verhaal over de periode in kwestie meer te kunnen vertellen. Hij is alles vergeten, geeft hij aan, nadat hij vorig jaar opnieuw betrokken is geraakt bij een auto-ongeval waarbij hij zwaar hoofdletsel heeft opgelopen. Ook van dat ongeluk kan hij zich helemaal niets meer herinneren. De heer [naam zwager] bevestigt dit verhaal. De tolk geeft aan dat cliënt veel moeite heeft om zich uit te drukken, veel naar woorden moet zoeken.

Hij probeert wel om aan het gesprek deel te nemen, dat is aan hem te zien, maar het lukt niet. Hij laat een circa 10cm lang litteken zien aan zijn rechter hoofdzijde, midden temporaal, dat hij toen heeft opgelopen.”

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep geconcludeerd dat “de opdracht van de Raad om appellant opnieuw te beoordelen helaas niet meer kan worden nagekomen. Client lijkt niet meer in staat om zich de relevante dingen te herinneren.”

1.3.

Vervolgens heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep op 23 augustus 2019 in aanwezigheid van een medewerker hoger beroep gesproken met appellant en diens gemachtigde.

In een rapport van 20 september 2019 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep daarover als volgt gerapporteerd:

“Verder onderzoek, psychisch noch lichamelijk, heeft geen toegevoegde waarde in deze procedure. De huidige toestand van cliënt is erg verschillend met zijn toestand in 2016 en daarom nu niet relevant voor dit onderzoek. (….) Het tekort van het in bezwaar nagelaten persoonlijk contact met een verzekeringsarts in bijzijn van een tolk kan ik dus niet herstellen.

Op basis van de mij nu bekende gegevens moet ik echter concluderen dat het primaire onderzoek, ook al was er geen tolk aanwezig, naar mijn mening zorgvuldig is verricht.(…)

Geconcludeerd wordt dat de in 2016 vastgestelde belastbaarheid geen aanvulling of wijziging behoeft.”

1.4.

Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 april 2016 weer ongegrond verklaard.

2.1.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat hij wegens zijn klachten niet in staat was de geselecteerde functies te verrichten en dat hij door de thans ontstane situatie niet benadeeld mag worden.

2.2.

Het Uwv heeft tot ongegrondverklaring van het beroep geconcludeerd.

3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

3.1.

Uit 1.2 en 1.3 komt naar voren dat het Uwv serieus heeft getracht het door de Raad vastgestelde zorgvuldigheidsgebrek te herstellen.

3.2.

Wat daaruit ook naar voren komt, is dat – gezien het tijdsverloop en de aanzienlijke wijziging in de medische situatie van appellant, opgetreden naar aanleiding van een hem overkomen tweede ongeval in 2018 – een zuivere en volledige heroverweging in bezwaar van het besluit van 5 april 2016 niet meer mogelijk is.

3.3.

Gelet op de eerder als onzorgvuldig beoordeelde gang van zaken bij het Uwv, kan dat echter niet voor rekening en risico van appellant komen. Dit maakt dat geen andere uitkomst mogelijk is dan de vaststelling dat het recht op ziekengeld van appellant ten onrechte is beëindigd per 22 mei 2016.

4. Uit 3.1 tot en met 3.3 volgt dat het beroep van appellant slaagt. Het bestreden besluit zal wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 5 april 2016 te herroepen. Gevolg hiervan is dat het recht op ziekengeld na 22 mei 2016 is doorgelopen tot het einde van de wachttijd van 104 weken.

5. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.312,50 (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor de zitting van 6 augustus 2020, 0,5 punt voor de nadere zitting van 30 september 2020).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- verklaart het beroep tegen het besluit van 24 oktober 2019 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 5 april 2016;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit van

24 oktober 2019;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van totaal € 1.312,50.

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep betaalde griffierecht van € 47,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van M. Géron als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2020.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Géron